Opinie

En dan staat daar Halil Gür

‘De moderne schrijver is een zzp’er die zijn narcisme te gelde maakt’, zei Maarten Doorman vorige week op een avond van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Na afloop kwam een kleine man naar me toe. „U heeft mij eens geïnterviewd voor Folia. Ik ben Halil Gür.”

Ik herkende Halil Gür. Hij was ouder geworden. „Ik heb een nieuw boek geschreven”, zei hij. Hij drukte me de fotokopie van een persbericht in de hand. De Babykamer heet zijn nieuwe boek. „Soms zie ik u lopen op de Boerenmarkt, maar het lukte me niet om u te spreken. Ik was de voorloper van Kader Abdolah en Hafid Bouazza.” Zeker bent u dat, zei ik. Een halve minuut later was de voorloper weer verdwenen.

Hoe lang is het geleden dat ik iets van Halil Gür heb gelezen? Al in 1986 won hij de E. du Perronprijs. Hij kreeg welwillende aandacht toen allochtone auteurs nog een vreemd verschijnsel waren en een streepje voor hadden. Het hoogtepunt werd de aan multiculturele literatuur gewijde Boekenweek. Dat was in maart 2001, in september van dat jaar veranderde er het een en ander in wie er in Nederland een streepje voor hadden.

De ondertitel van De babykamer is ‘Vijf magische reizen door het landschap van de ziel’. Over de verhalen schrijft Halil Gür in de inleiding: ‘Ik heb het moment afgewacht dat ze, als jonge vogeltjes in een nest, vleugels kregen om uit te vliegen. [...] Toen ik ze vol opwinding hoorde tsjilpen en met hun vleugels klapperen, heb ik ze losgelaten. Hierop kreeg mijn ziel het benauwd [...] en ben ik mijn jonge vogeltjes achternagevlogen.’

Is dit een boek voor mij? Fladderen is zeg maar niet echt mijn ding. In de inleiding staat dat je De babykamer met je hart moet lezen. In het titelverhaal woont de verteller in de Jordaan (daar heb ik Halil Gür geïnterviewd), met boven hem een boze Iraanse schrijver en onder hem een Hollandse therapeut. Tussen twee culturen, inderdaad. En het werkt, in dit geval: de therapeut leidt de Iraniër een reeks helende visioenen binnen, waaronder dat van zijn eigen babykamer.

Mijn verstand vindt De babykamer zo-zo, mijn hart denkt even aan ‘Het kind en ik’ van Martinus Nijhoff: ‘telkens als ik even/ knikte dat ik het wist/ liet hij het water beven/ en het werd uitgewist.’ Daarbij het beeld van Halil Gür, de minst narcistische zzp’er van allemaal, die weer in de Amsterdamse avond verdwijnt.