De schaamte niet voorbij

Christophe Van Gerrewey
Christophe Van Gerrewey Foto Koen Broos

Christophe Van Gerrewey: Op de hoogte. De Bezige Bij Antwerpen, 188 blz. €19,95

Voor zijn debuutroman heeft de Vlaamse essayist en verhalenschrijver Christophe Van Gerrewey (1982) de vorm van een brief gekozen: een beproefd genre om fictie en werkelijkheid op een natuurlijke wijze met elkaar te vermengen. Moeiteloos wisselt deze begaafde stilist dan ook lyrische liefdes- en haatverklaringen af met bijtende maatschappij- en literatuurkritiek. En zoals alle geslaagde literaire brieven, met als beroemdste voorbeeld Kafka’s lange, niet verstuurde Brief aan vader, is ook Op de hoogte een middel tot introspectie.

De briefschrijver houdt niet zozeer zijn ex-geliefde op de hoogte van zijn gemoedstoestand, maar onderwerpt zichzelf als afgedankte minnaar en schrijver aan een onderzoek: waarom schrijf ik, wat wil ik daar eigenlijk mee bereiken? De geadresseerde kan in principe iedereen zijn die zich weleens afvraagt: waarom lees ik?

Evenals de meeste brieven over de verwerking van slecht afgelopen relaties krijgt ook dit epistel al snel trekken van een zelfrechtvaardiging, uitmondend in een aanklacht. De briefschrijver erkent dat hij zijn boodschap als een ‘schuldvonnis op een proces’ over zijn ex uit wil spreken, maar het knappe is dat hij zichzelf daar niet in laat slagen.

Als er al iemand wordt gevonnist dan is het de briefschrijver zelf, zijn onmacht om lief te hebben en de werkelijkheid te ervaren zoals die is.

Chaotisch

Alles wat de ex wordt aangewreven blijkt te berusten op verkeerde interpretaties van de aanklager, zijn perceptie van hun gemeenschappelijke ervaringen verschilt hemelsbreed van de hare . ‘Je kunt niet omgaan met verlies’, citeert hij zijn ex, ‘en daarom suggereer je, bladzijde na bladzijde, dat wat je verloren hebt niet eens zo bijzonder was. Zo gaan mannen vaak met literatuur om: ze schrijven om de wereld zwart, onmogelijk en chaotisch neer te zetten, zodat ze zich vervolgens beargumenteerd uit die wereld kunnen terugtrekken.’

Een soortgelijk commentaar herinnert de briefschrijver zich uit de tijd dat hij haar voorlas uit The Golden Bowl, de volgens de ex ‘saaie’ roman van Henry James over wanhopige pogingen om een mislukt huwelijk in stand te houden. ‘Onvoorstelbaar’, noemde ze het toen al ‘hoe pathetisch mensen zich gedragen als het op de liefde aankomt , hoe ze blijven jammeren en voldongen feiten voor zich uit blijven schuiven, hoe ze weigeren verder te gaan met hun leven en zich alleen nog vol zelfmedelijden concentreren op hun eigen gevoelswereld.’

The Golden Bowl wordt door de ex vermoedelijk ‘saai’ gevonden, omdat het geen ‘waar gebeurd’ verhaal over ‘echt bestaande mensen’ is. Moeilijk verkoopbaar, met andere woorden, maar voor de briefschrijver hoort onderzoek naar de eigen gevoelswereld juist tot het hoogste wat literatuur te bieden heeft, zowel voor schrijvers als voor lezers.

Terugdenkend aan een door zijn geliefde geïnitieerd gemeenschappelijk bezoek aan de Antwerpse boekenbeurs waar ‘Bekende Vlamingen’ hun overbodige kulboeken signeerden, constateert hij: ‘Niets is er dat door ook maar een van die boeken verandert, zelfs niet in het leven van de schrijver en al zeker niet in het leven van de lezer – volstrekt ongevaarlijk en onschadelijk zijn ze gemaakt, losgeweekt van inzetbaarheid en existentieel nut, overgeleverd aan de wetten van de markt en van het amusement […] alsof alles wat op die Boekenbeurs werd aangeboden inderdaad stuk voor stuk kookboeken zouden kunnen zijn.’

Overtuigend brengt de briefschrijver vervolgens zijn eigen literaire credo onder woorden. Hij pretendeert niet de feitelijke waarheid weer te geven maar zijn waarheid en hij hoopt dat dit boek ‘iets zal bewaren van wat ik heb meegemaakt en dat het ook iets zal overbrengen op de persoon met en door wie ik dat heb meegemaakt, en de tien, honderd of duizend lezers […] of ze nu bestaan of niet, zal ik misbruiken om de illusie van fictie en amusement hoog te houden, terwijl alles wat er gebeurt alleen maar zowel fatale als belachelijke ernst is.’

‘Sterretjes’

De schrijver neemt een komisch voorschot op het aantal ‘sterretjes’ dat zijn debuut zal krijgen in de ‘tot culinair niveau vervallen, schaamteloze literaire bijdragen van de kranten van dit taalgebied, waarin het als pretentieus en hoogdravend aan de kant zal worden geschoven.’ Van internet-magazines en blogs verwacht hij nog onzinniger reacties.

Om die verwachting te laten uitkomen zijn er alvast filmpjes op YouTube gezet waarin een vrouw klaagt dat haar kat Muisje zonder haar toestemming in de roman figureert en zelfs op de cover is afgebeeld en een ander dat de schrijver Gent ten onrechte als een bruisende stad voorstelt.

Intussen gaat deze inderdaad pretentieuze roman (maar wat is er tegen pretenties?) helemaal niet over trivialiteiten als de vraag of kater Muisje echt bestaat. Zelfs niet over de vraag of de toegesproken ex-geliefde een verzinsel is of niet. Echt is de schaamte van de schrijver. Schaamte voor de onmacht om datgene wat werkelijk van belang is ook als zodanig te ervaren en te benoemen. De briefschrijver faalt in zijn poging om een vastgelopen relatie vlot te trekken, maar de romanschrijver slaagt met vlag en wimpel.

Op de hoogte is zowel een sterk en met schwung geschreven verhaal over wanhopige liefde als een noodkreet over een door commercie en platte scoringsdrift in het slop geraakte literatuur.