De ideale plek om aan jezelf te ontsnappen

Dichter Ester Naomi Perquin werkte als gevangenenbewaarder om zo haar opleiding tot schrijver te betalen. In haar nieuwe bundel ‘Celinspecties’ kijkt ze terug op die tijd. Dat levert sterke beelden op.

Ester Naomi Perquin: Celinspecties. Van Oorschot. 72 p. € 14,50

Dichteres Ester Naomi Perquin (1980) is enkele jaren gevangenbewaarder geweest. Dat is een mooi gegeven. We zien meteen een strenge vrouwelijke cipier voor ons, met in de ene hand een sleutelbos en in de andere een notitieblokje met potlood, voor het noteren van invallen en rijmwoorden. Intussen rukken de zware jongens, na weer een streepje te hebben gezet op de muur van hun kille cel, nog maar eens machteloos aan de tralies. Nog mooier: Perquin deed het cipierswerk om haar opleiding aan een schrijversschool te kunnen betalen. Boeven bewaken om verzen te leren schrijven.

In haar nieuwe bundel, Celinspecties, is daarvan veel terug te vinden. In ‘Welkom terug’ spreekt de doorgewinterde bewaakster die al vaak de mannen na hun verlofweekend heeft zien terugkeren: ‘Ik weet hoe ze ’s avonds door de poorten binnenkomen.’ Je kunt het aan hun handen zien: ‘Hun handen nog komvormig van de vastgehouden / kinderhoofden.’ Ik weet niet of het waar is, maar het beeld is prachtig. Het hele weekeinde hebben de boeven de hoofdjes van hun kleine kinderen in handen gehad. Hun handen zijn ernaar gaan staan. Wat nog meer? Ze ruiken ook op een bepaalde manier. ‘Ze dragen in hun kleren buiten mee en etensluchtjes, / hondenharen, bier, de geur van warme vrouw en / laatste sigaretten samen, groezelige lakens.’ Zo komen ze zwijgend weer binnen. En alle vrouwen blijven bij de poorten staan. ‘Hun jassen hoog geknoopt, de handen / in de zakken, hoofd gebogen.’ Ook dat is een misschien iets overdreven, maar sterk beeld. De bewaakster vervult hier de rol van een moeder overste die haar kinderen bezorgd opwacht. Maar er zijn ook andere rollen. In ‘Legale activiteiten’ vertelt de bewaakster op droge toon hoe er subtiel gemarteld kan worden. Dat kan bijvoorbeeld door de gevangenen op de luchtplaats te laten lopen en dan af en toe een geweerschot te laten horen. Nog iets sadistischer: ‘Oefenen tot je / vlak boven hun hoofden een trage duif / in zijn vlucht kunt raken en ze / die duif laten begraven.’ Soms vervult de bewaakster de rol van helper, met tips over hoe je te gedragen in de rechtszaal. Of zij leert een gedetineerde hoe hij brieven moet schrijven om een vrouw te vinden.

Soms zien we haar wegdromen in fantasieën waarin de gevangenen weer onschuldige baby’s zijn voor wie alles nog moet beginnen. En dan zijn er de fantasieën over meer verzorgende en erotische handelingen. ‘Alleen slechte mannen wilde ik aanraken. Ik wilde hun schouders / onder mijn handen voelen, hun knoopjes openmaken, mezelf dan / haastig uitkleden, ze als dekens om me heen slaan, / me in hun armen te slapen leggen.’ Dan worden ze gewassen en glanzend gewreven. ‘Ik wilde ze auto’s geven en kleine huisjes voor ze maken, / ze aan tafel zetten met een vrouw, een bordje eten, / een kind dat papa zegt, een lapjeskat.’ Je zou zeggen dat iemand hier een verpleegsterscarrière is misgelopen.

Frisse jongens

Er zijn ook gedichten waarin de cipier afwezig is. De gedetineerden komen rechtstreeks aan het woord, of hun ouders, vrouwen, of hun exen. Van de gedetineerden is de achternaam afgekort, zoals gebruikelijk. We lezen de verhalen van Frans van A., Jakob de B., Frederik C., in alfabetische volgorde, tot en met Michael van W. Het zijn niet allemaal frisse jongens. David H. doet in droge bewoordingen verslag van zijn poging om een onbekend meisje te wurgen – en van zijn gedachten daarbij. ‘Natuurlijk was het liefde.’ Uit de verklaring van Bart V. maak ik op dat hij zomaar om zich heen is gaan schieten. Het is een kil verslag. Een meisje probeerde weg te rennen, vertelt V. ‘Ze lachte heel even en daarna / viel ze neer alsof ze een jas was geweest / die ineens van een hangertje gleed.’ Ik moet bekennen dat ik dat een mooi beeld vind. Dat is een van de sterke kanten van deze bundel: het contrast tussen crimineel gedrag en Perquins mooie regels.

Daar staat ook meteen de zwakke kant tegenover. Er trekt hier een hele stoet gestoorden voorbij, waar meestal niet heel veel bij zit. Die geestelijke leegte verhoudt zich soms slecht tot de dichterlijke inslag van Perquin. Gedetineerde Carlo da C. wil ons, en zijn rechters, laten geloven dat hij bij zijn inbraken niet werd gedreven door geldelijk gewin, maar door een abstract, bijna onthecht streven: kijken, openingen zoeken, een kier zien ‘waar niemand ruimte ziet’. Het ging hem om ‘de schoonheid van ergens zijn, van kamers / waar geen vreemden kwamen’ en je daar dan even ‘koning’ voelen. Frans van A. is ook al zo’n onthechte waarnemer. Hij kijkt in zijn cel als een kunstschilder om zich heen en geniet van de lichtinval in de ochtend. Hij zou erin willen opgaan, voor altijd – ook een manier om met je celstraf om te gaan.

Stoere bonk

Tegelijk heeft Perquin veel oog voor de poëzie van de stoere bonk uit één stuk. Ze laat een vrouw aan het woord die alleen maar zo’n ‘roestvrije’ man wilde, ‘eentje die graag wodka dronk en luidkeels liedjes zong over het paard in de gang.’ In sommige portretten schemert het romantische verlangen door naar ridders en paarden, vrouwen op torens. En naar echte kerels, ‘gebouwd voor roof en braak’, ‘met tanden om ijzer te bijten’ en lekker ruw in de mond.

De vorm van de gedichten is erg vrij, op het prozaïsche af. Er is wel een bundelstructuur (twee proloogverzen, tien kleine afdelingen, een epiloogvers), maar daar heb ik toch geen echte bedoeling uit kunnen afleiden. Het loopt allemaal wat door elkaar: portret, monoloog, fantasie. Het gedicht ‘Binnen beperkingen’ beschrijft hoe de gedetineerde moet wennen aan zijn cel, aan zijn opsluiting, en aan zijn formaat – maar dat is ook meteen een beschrijving van wat een dichter binnen de beperkingen van zijn gedicht moet doen. In het openingsgedicht beschrijft Perquin hoe zij zich gemakkelijk in levens kan inleven, maar het woord gevangenis komt daar niet in voor.

Het lijkt mij dan ook dat de bajes in deze bundel maar bijzaak is. De gevangenis is een geschikt decor, dat de dichteres de gelegenheid biedt om in andere levens op te gaan. De gevangenis als de ideale plek om te ontsnappen – aan zichzelf. Het lijkt me veelzeggend dat Perquin tussen alle bajesberichten door een lang gedicht opneemt met tips voor haar geliefde, voor het geval ze zoek zou raken. Met een zekere gretigheid bedenkt ze wat hij in zijn lange zoektocht allemaal zou ondernemen, allemaal tevergeefs. Ze weet nu al dat hij haar dan op den duur zou vergeten. ‘En later groei je er volledig overheen.’ Perquin lijkt mij een dichteres die het liever niet heeft over zichzelf. En misschien, denk ik bij het lezen van deze vormloze gedichten, wil ze liever proza schrijven.