Weten hoe je telefoon werkt, helpt niet tegen cyberpesten

Mediacoaches die doceren hoe kinderen media gebruiken, missen diepgang in hun opleiding. Ze willen minder aandacht voor techniek en meer pedagogiek.

Middenin een workshop tijdens het Nationaal MediaCoach Congres, eind maart in Ede, staan drie mensen op en verlaten de zaal. „Iedereen staat hier gewoon zijn eigen product te verkopen”, moppert één van hen. De workshop behandelt een lespakket over digitaal pesten onder meisjes, gemaakt door een communicatiebedrijf uit Eindhoven.

De deelnemers, die niet met hun namen in de krant willen, zijn teleurgesteld in de workshops. Die worden volgens hen steeds commerciëler. Toch moeten ze het congres bijwonen, anders verliezen ze hun accreditatie als mediacoach. Een van de deelnemers, Minchenu Maduro zegt: „Je verwacht er veel van, het kost 175 euro, en je moet er een dag voor vrij nemen. Maar inhoudelijk stelt het niet veel voor.”

Jongeren moeten leren hoe media werken, vindt onder meer de overheid. Deskundigen zijn blij dat er steeds meer serieuze aandacht voor mediaopvoeding is, maar vragen zich wel af of de opleiding tot mediacoach genoeg handvaten biedt voor de problemen die er spelen.

Die opleiding is een initiatief van de Nationale Academie voor Media en Maatschappij in Amsterdam. Het ministerie van OCW en de Europese Commissie gaven subsidie. Mediacoaches werken in het onderwijs, bij bibliotheken, Centra voor Jeugd en Gezin en jeugdhulpverlening. De Amsterdamse opleiding is een van de weinige die zich richt op kinderen en media. De opleiding heeft volgens Liesbeth Hop, organisator van het congres in Ede, bijna zevenhonderd geaccrediteerde mediacoaches afgeleverd.

Peter Nikken, bijzonder hoogleraar mediaopvoeding aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, spreekt regelmatig mediacoaches die hun opleiding te oppervlakkig vinden. „Het lijkt erop dat weinig aandacht wordt besteed aan serieuze pedagogische vraagstukken”, zegt hij. „Docenten behandelen bijvoorbeeld vooral technische snufjes om het mediagebruik van kinderen te reguleren, zoals een tijdklok, of spyware, in plaats van de sociaal-emotionele aspecten.” Die snufjes gaan volgens Nikken bovendien voorbij aan de privacy van kinderen, en zijn soms veel te duur. „Ik betwijfel of dit soort opleidingen studenten voldoende voorbereiden op de problemen die spelen. Ze werden deels met publiek geld gefinancierd. Dan mag je ook verwachten dat er integere cursussen worden aangeboden, waarvan ouders en professionals profiteren.”

Saskia Mastenbroek (35) is mediacoach in Haarlem en werkt in een bibliotheek. „Voor mij was de opleiding als introductie erg handig”, zegt ze. „Voor leerkrachten en bibliothecarissen is het een prima opleiding. Maar soms is meer diepgang nodig om een goede diagnose te stellen.” Mastenbroek koos er voor om deeltijdvakken Onderwijskunde aan de Open Universiteit te volgen. „Daar haal ik meer uit.”

De opleiding tot mediacoach biedt een goede basis, maar voor jeugdhulpverleners is meer nodig, zegt Remco Pijpers, directeur van stichting Mijn Kind Online. „Ik word vaak benaderd door mediacoaches, omdat ze geen antwoorden hebben op vragen van bezorgde ouders.” Hij pleit er voor dat kennis over mediaopvoeding in de reguliere beroepsopleidingen wordt geïntegreerd. „Veel jeugdhulpverleners weten wel dat kinderen ruzie maken via Hyves en Facebook en dat kinderen digitaal worden gepest. Maar als het een keer echt uit de hand loopt en een ouder vraagt om raad dan staan veel professionals met de mond vol tanden. Men geeft adviezen als: ‘Praat met je kind’. Maar hoe doe je dat met een kind dat niet wil praten over een onderwerp dat jou als ouder toch al niet ligt, zoals sociale media?”

Ook Nikken denkt dat er behoefte is aan professionals met mediakennis. „Bangalijsten zijn misschien deels een hype – kinderen maken elkaar al eeuwen uit voor rotte vis – maar er zijn wel nieuwe, vervelende aspecten aan digitaal pesten.” Verwensingen blijven voor altijd online staan, en voor gepeste kinderen gaat het treiteren 24 uur door.

Uit cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau blijkt dat 4 procent van de 9- tot 16-jarigen herhaaldelijk wordt gepest via internet. „Dat lijkt misschien weinig”, zegt Pijpers, „maar het gaat wel om 60.000 kinderen. Dat zijn er te veel.”

De behoefte aan pedagogen en onderwijskundigen met mediakennis wordt volgens Nikken deels opgevuld door de nieuwe minors Mediapedagogiek aan de Pabo Lerarenopleiding in Almere en de opleiding Pedagogiek in Zwolle, beiden van hogeschool Windesheim. Afgelopen februari startten 26 studenten met de minor in Almere. De minor in Zwolle start in februari 2013, zegt Nikken, en is bedoeld voor onder andere jeugdhulpverleners. De focus ligt op mediaopvoeding door ouders, in plaats van onderwijs. Nikken: „Het is de bedoeling dat studenten leren hoe ze media-advies geven die binnen de opvoeding past.”

In tegenstelling tot opleidingen, hebben bedrijven en organisaties zich al lang op mediaopvoeding gestort. Honderden Nederlandse bedrijven en organisaties houden zich met het onderwerp bezig, een groot deel vanuit commercieel oogpunt. Volgens congresorganisator Hop zijn dat niet het type organisaties en bedrijven op haar congres. „Zeventien van de achttien workshops worden gegeven door organisaties zonder commercieel doeleinde.”

In mei start de Nationale Academie voor Media en Maatschappij een nieuwe opleiding, ‘social media professional’ (drie bijeenkomsten). De opleiding behandelt onder meer digitaal pesten of ruzie op Twitter. Liesbeth Hop wil niet inhoudelijk reageren op de kritiek op de opleidingen. Behalve op Twitter dan. Daar plaatste ze de afgelopen dagen een reeks boze tweets.