Koudwaterkoralen: oases in de diepzee

Ook in koud, donker water groeien koraalriffen. Sommige steken honderden meters boven de bodem uit. Deze week praten biologen erover, op een koralencongres in Amsterdam.

Niet alleen in tropische zeeën, maar ook in koud water groeien koraalriffen. Zelfs zeebiologen weten dat nog niet zo lang. „In 2002 werd het Tisler Rif in het Skagerrak ontdekt, hooguit een mijl uit de Noors-Zweedse kust”, zegt hoogleraar Tjeerd van Weering van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) op Texel. „En in 1997 werden voor de westkust van Ierland grote koudwaterkoraalheuvels ontdekt, met een rif op de top.”

Rond de koudwaterkoralen krioelt het van de zeeanemonen, kreeften, zeeëgels en ander zeeleven. Het onderzoek naar deze riffen komt net op gang. De koralen groeien op 50 tot 1200 meter diepte in de oceaan en vormen rijke oases in de diepzee. De riffen zijn kraamkamers voor jonge vissen en andere zeebewoners. De kalkskeletten van de afgestorven koraaldiertjes vormen niet alleen riffen, maar ook kalkheuvels die op sommige plekken tot vierhonderd meter boven de zeebodem uitsteken.

Deze week zijn zo’n 200 wetenschappers en beleidsmakers uit de hele wereld in Amsterdam bijeen op het Vijfde Internationale Diepzee Koralen Symposium. Veel onderzoek gaat over de vraag hoe koudwaterkoraalriffen ontstaan, groeien en in stand blijven, en over hoe deze riffen visserij en grote olierampen doorstaan, zoals twee jaar geleden in de Golf van Mexico.

Koudwaterkoralen werden voor het eerst ontdekt door Noorse vissers die in hun netten merkwaardige staketsels troffen. Hun mysterieuze vangst belandde bij bisschop Poppidan van Bergen, die er in 1752 over publiceerde en de vermalen koralen een geneeskrachtige werking toedichtte. Pas omstreeks 1996 kwam het wetenschappelijk onderzoek goed op gang. Een boring in een van de carbonaatheuvels voor de Ierse zuidwestkust liet bijvoorbeeld zien dat dit rif zo’n twee miljoen jaar geleden begon te groeien.

Het levende deel van een koraalrif is hooguit een meter hoog. De koraaldiertjes onttrekken calcium aan het water, waarmee ze hun kalkskeletjes vormen. Een groot verschil met de tropische koraalriffen is dat koudwaterkoraalriffen niet in het zonlicht, maar in het donker groeien. De koudwaterkoraaldiertjes leven dan ook niet samen met algen die licht omzetten in suikers, zoals hun tropische soortgenoten.

Van Weering: „Vermoedelijk bestaat een deel van hun voedsel uit plankton dat op sommige plekken in de oceaan heel geconcentreerd voorkomt en in het vroege voorjaar als planktonbloei naar de diepte zinkt. De riffen groeien vooral op plekken waar de zeestroming in hun voordeel werkt. Met computermodellen kunnen onderzoekers steeds beter voorspellen waar koudwaterkoraalriffen zouden kunnen voorkomen.”

Koraalexpedities maken gebruik van schepen met met robotvaartuigjes. Deze vaartuigjes worden vanaf het schip bestuurd en kunnen tot maximaal 5 kilometer diepte duiken. Aan boord zijn videocamera’s, temperatuur- zout- en lichtsensoren. Met kleine grijparmen worden kleine monsters van levend koraal genomen. Soms ook wordt het levende koraal ter plekke beschilderd met een marker, een verf die het skelet binnendringt, om te kunnen achterhalen hoe snel het koraal op deze plek groeit.

De expedities onthullen een complex dierenrijk op de diepzeebodem. Van Weering: „Tot voor kort hadden we daar geen flauw idee van. Op de riffen komen vissen, krabben, garnalen en andere roofdiertjes af. ”

Ook vissers hebben in de gaten dat in de buurt van de koraalriffen goede vangsten te halen zijn. „De scherpe riffen hangen vaak vol met afgescheurde visnetten waar krabben en andere rovers zich tegoed doen aan de vissen die nog steeds in die netten verstrikt raken”, zegt Van Weering.

Vooral trawlerschepen vernietigen met hun sleepnetten complete koraalsystemen. „De Europese Unie stelt nu hier en daar zeereservaten in om de riffen en heuvels en bijbehorende diersoorten te beschermen, zegt Van Weering. „Zo is het Noorse Tisler rif sinds 2003 beschermd tegen trawlervisserij. Vissers staan zelden of nooit achter vangstbeperkingen, maar in dit geval hebben ze toch redelijk goed meegewerkt.”