Geboren columnist

‘Een van de laatste NRC-columnisten die werkelijk iets te zeggen had”, reageerde een lezer via de website van NRC Handelsblad op het alom betreurde vertrek van J.L. Heldring uit deze krant. Dit ontlokte een andere lezer de ontboezeming: „Shit, kut, maar dit soort hard roepen brengt meneer Heldring niet meer terug.”

Met beide reacties zal Heldring niet helemaal ingenomen zijn, vermoed ik. Het taalgebruik van de tweede lezer zal hem al te grof voorkomen, terwijl de eerste lezer een taalzonde begaat waartegen hij jarenlang stelselmatig gewaarschuwd heeft. De lezer had ‘hadden’ moeten schrijven in plaats van ‘had’. In zijn taalboek De taal op zichzelf is niets schrijft Heldring er bedroefd over: „Deze fout komt zo vaak voor dat ik niet alle passages waarin ik haar aantrof, ga citeren.”

Waarmee ik vooral wil duidelijk maken dat met Heldring ook een kloeke beschermer van de taal uit de Nederlandse journalistiek vertrekt. Aan onzuiver taalgebruik kon hij zich stevig ergeren. Als ik hier in plaats van ‘ergeren’ het woord ‘irriteren’ had gebruikt, zoals steeds vaker gebeurt, zou hij nu mogelijk ophouden met lezen; ik besef (zonder ‘me’!) dit terdege.

Hij was al opgehouden met zijn taalcolumns, maar met het onberispelijke taalgebruik in zijn andere columns bleef hij een baken voor iedereen die de Nederlandse taal ter harte gaat.

„In overlijdensannonces staan vaak curieuze fouten”, schreef hij in 1986. „Die kunnen de nabestaanden meestal niet kwalijk genomen worden. Maar is er dan niemand op de afdeling die ze in ontvangst neemt, die hen tegen zichzelf kan beschermen?” Enkele voorbeelden.

„Na een langdurige ziekte heeft God tot zich geroepen…”

„Diepbedroefd, maar met grote dankbaarheid voor wat hij voor ons heeft betekend, is heden overleden…”

„Als gevolg van een noodlottig ongeval is plotseling overleden…” (Dat het ongeval noodlottig was, voegde Heldring droogjes toe, blijkt uit het overlijden.)

Zelfs gerenommeerde dichters ontsnapten niet aan zijn kritische aandacht. „Wat te denken van de volgende dichtregels”, schreef hij over het gedicht Het ezeltje van M. Vasalis: Stil grazend naast een grijze rots/ zag ik opeens op hoge benen/ een jonge ezel.”

Ik kende het gedicht en de fout was me nooit eerder opgevallen, maar Heldring had natuurlijk weer eens gelijk, al vind ik wel dat een dichter zich, omwille van het ritme van een zin, meer kan veroorloven dan een prozaschrijver.

Dit brengt mij op een vraag die vaker bij me is opgekomen: hoe verhield zich bij Heldring de liefde voor zijn taal tot zijn waardering voor de Nederlandse literatuur?

Bladerend door zijn verzamelbundels kwam ik daarover niet veel aan de weet. Maar gelukkig had ik in een van die bundels een uitgeknipte column uit 2008 met de kop Boek, schrijver en lezer bewaard. Daaruit bleek mij voor het eerst dat Heldring niet erg onder de indruk was van onze literatuur. Multatuli’s Max Havelaar en Woutertje Pieterse „doorstonden een hernieuwde proef”, Couperus bleef zelfs ‘de grote meester’, maar: „Wat ik van de grootmeesters Vestdijk, Hermans en Mulisch gelezen heb, smaakte mij, eerlijk gezegd, niet naar meer; hoewel ik Mulisch’ De aanslag knap vond.”

Hij gaat nu weg. „Mij ontbreekt alle inspiratie tot schrijven”, meldde hij zijn hoofdredacteur. Een betere reden om op te houden is er niet voor een geboren columnist. Maar het is wel k…