Expositie prenten in Boijmans te eentonig

Verwante verzamelingen. T/m 20 mei in Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Di-zo 11-17u. Inl: www.boijmans.nl

Karren met paarden ratelen over een bruggetje, vrouwen stappen uit huizen met rieten daken, ezels grazen langs de waterkant. Het is een bedrijvig dorpje dat de Fransman Rodolphe Bresdin tekende in 1861. Vissers wagen zich moeiteloos in het water, hier is geen verraderlijke stroom of onvriendelijk woord te vrezen. Bresdin verzon een idyllische wereld die in schril contrast stond met de oprukkende industrie en grote verstedelijking in zijn echte wereld.

Maxime Lalanne tekende wel die harde realiteit: Parijse pandjes die werden geruimd voor de aanleg van de grote boulevard Saint-Germain. Tegenwoordig genieten toeristen van die majestueuze boulevards, toen treurden Parijzenaars over de sloop van hun geliefde oude stad.

Lalanne documenteerde die vernieuwing, andere kunstenaars portretteerden de stadsbewoners – de elite, opgedoft in het theater, of het volk, zwoegend voor de dagelijkse kost. Whistlers uitdraagster uit 1858 zit over haar verstelwerk gebogen in een bedompte ruimte die het benauwde gevoel weergeeft van de onhygiënische krochten van een oude stad – ook iets waar de boulevards korte metten mee maakten. Een ander soort stedeling is de clochard die Paul Gavarni in 1860 portretteerde, met haveloze kleding maar ook een hoge hoed en opgeruimde blik, alsof hij er niet onder leed dat hij ’s nachts onder de bruggen aan de Seine sliep. Het was een tijd waarin zo veel gebeurde, het was in de kunst bijna niet bij te benen.

Deze prenten, en vele tientallen meer, hangen in het prentenkabinet van Museum Boijmans Van Beuningen. Twee Nederlandse broers, Jan en Wietse van den Noort, hebben elk afzonderlijk decennia lang grafische kunst verzameld – een relatief betaalbare manier om je toch met de groten te kunnen omgeven. Goya, Rembrandt, Redon, Gauguin, ze hangen er allemaal. Maar, hun voorkeur ging uit naar de negentiende eeuw in Frankrijk en de twintigste eeuw in Nederland: wilgen, bootjes, horizons, stadsgezichten. In de Franse prentkunst trokken dezelfde grijze luchten over stad en land als later over de Hollandse polders van de generatie Haagse School.

Het lijkt een tentoonstelling met een dubbele agenda. Niet alleen wil het museum deze kunstgeschiedenis tonen, het bindt van oudsher graag collectioneurs aan zich en daar moet je werk in steken. De expositie is uitvoerig – een strengere selectie had best gemogen – en de broers krijgen er een gedetailleerd uitgevoerde catalogus bij. Boijmans is van origine een verzamelaarsmuseum. Als voor de oorlog een duur zeventiende-eeuws schilderij op de veilingmarkt kwam, haastte de directeur zich naar een van de havenbaronnen en ja hoor, die kocht het meestal wel even voor het museum, voor het algemeen nut. Zonder zulk particulier mecenaat had het museum er stukken leger uitgezien.

De broers waren bedreven kijkers. Ze wisten alles van oplages en techniek en papier. Ze vergeleken prent na prent. Tegelijk maakt die expertise hun keus wat eentonig: deze tentoonstelling toont ontzettend veel uit die turbulente negentiende eeuw, maar dan vooral vernuftig gemaakte molengezichten, boerderijtjes, bootjes in het riet. Natuurlijk, die bootjes hadden een artistieke functie. Het was de eeuw van het realisme – geen godinnen, de gewone mens, de alledaagse wereld. Dat realisme zie je ook in de tekeningen van fabrieksarbeiders – met een katholieke of socialistische pen getekend, het bleef eenzelfde noeste arbeid. De prenten zijn fijntjes gemaakt, maar door de eenvormigheid ga je je gaande de expositie wel afvragen wanneer toch eens de avant-gardes losbarstten. Wat dat betreft geeft de expositie goed de tijd weer: eind negentiende eeuw snakten heel wat kunstenaars naar precies zo’n verandering.