De wereld is niet plat

Ondanks de globalisering leven de meeste mensen een honkvast bestaan. Dat gegeven is een recept voor onbehagen.

Hoogleraar Europese studies

Het zijn de kleine berichten waarin het grootste nieuws te vinden is. Zo meldde de Franse krant Le Monde onlangs dat de bewoners van dat land opvallend honkvast zijn: niet minder dan zeven van de tien Fransen wonen in de regio waar ze zijn geboren. Het commentaar luidde ietwat beduusd dat we denken in een vluchtige en mobiele wereld te leven, maar dat de ruime meerderheid helemaal niet zo bewegelijk is.

Er zijn geen redenen om aan te nemen dat mensen in andere West-Europese landen meer genegen zijn om over grote afstanden te verhuizen. De actieradius van de meesten is nog steeds beperkt. De Britse antropoloog Ernest Gellner stelde in zijn Conditions of Liberty (1994) nuchter vast: „Voor de gemiddelde persoon zijn de beperkingen van zijn eigen cultuur weliswaar niet echt de grenzen van de wereld, maar toch wel die van werkgelegenheid, erkenning, betrokkenheid en burgerschap.”

Vooralsnog leidt het merendeel van de mensen geen grenzeloos leven. Zo is het aantal huwelijken met een buitenlandse partner nog steeds zeer beperkt; niet veel mensen trekken eropuit om in een ander land te gaan werken; slechts weinigen beheersen een andere taal goed genoeg om erin van mening te kunnen verschillen. Het gevoel van duurzame verplichting steekt maar moeilijk de grens over.

Wie iets wil begrijpen van het onbehagen in de democratie moet beginnen met dit soort gegevens. De globalisering van de wereld en de plaatsgebonden levens van het merendeel van de bevolking zijn steeds moeilijker te rijmen. Dat is een voorname oorzaak voor het verschil tussen de positieve waardering van mensen voor hun eigen leven en het sombere oordeel van diezelfde mensen over de samenleving als geheel. In tal van Europese landen is dit verschijnsel beschreven: het laat een toenemende machteloosheid zien tegenover de wereldwijde markt, die meer is dan een pessimistische stemming.

Bovendien zijn de mensen met de laagste inkomens en opleidingen ook het minst bewegelijk. Ruimtelijke en sociale mobiliteit hangen samen. Dat verklaart waarom de houding van vooral laagopgeleiden negatiever is tegenover de groeiende aanpassing van de samenleving aan de buitenwereld. Hun stemgedrag laat dat zien: partijen die zich opwerpen als hoeder van sociale of culturele eigenheid trekken verhoudingsgewijs meer, maar zeker niet alleen, mensen met een lage opleiding.

De negentiende-eeuwse Franse historicus Jules Michelet zei het al: l’histoire est d’abord toute géographie, de geschiedenis is vóór alles geografie. Alle verhalen over een virtuele en grenzeloze wereld ten spijt doet de verbeelding van de omgeving waarin mensen verkeren er nog steeds toe. Dat zien we bijvoorbeeld in de opkomst van bewegingen voor Schotse of Vlaamse onafhankelijkheid.

Die behoefte aan inbedding is nogal onderschat en vooral gezien als een achterhoedegevecht tegen de globalisering. Er is een boekenkast vol geschreven over het ‘einde van de afstand’: de omloopsnelheid van kapitaal en informatie zou de hele wereld inmiddels tot een netwerk hebben gemaakt. Het is waar dat met een muisklik reusachtige bedragen worden overgemaakt, en het is ook waar dat elke avond beelden uit de gehele wereld tot ons komen.

Maar hoeveel globalisering verdraagt de mens? De kredietcrisis laat zien dat het onwaarschijnlijk is dat op die manier duurzame vertrouwensrelaties ontstaan. Juist de betrekkelijke anonimiteit die de virtuele wereld biedt, heeft roekeloos en corrupt gedrag uitgelokt. De publieke reactie daarop is een fors wantrouwen ten opzichte van de financiële sector, die het symbool bij uitstek is van de vervlechting tussen landen.

Terwijl de wereld uitdijt, wint nabijheid aan waarde. Ooit hoorde ik een fraaie anekdote over de Amsterdamse zakenman Maup Caransa. Van zijn vrouw mocht hij zoveel onroerend goed kopen als hij maar wilde. Op één voorwaarde: hij moest al zijn panden wel kunnen zien vanaf de Westertoren. Of het verhaal waar is, weet ik niet en iets zegt me dat Caransa zich niet heeft gehouden aan haar huis-tuin-en-keukenwijsheid.

Natuurlijk is het een groot goed wanneer de kring waarmee mensen zich vereenzelvigen ruimer wordt, maar de schaal waarop vertrouwen mogelijk is, kent vooralsnog zijn beperkingen. Sterker nog, de globalisering lokt een herwaardering van het lokale uit. De middenpartijen die beide gezichtspunten willen verzoenen, worden verdeeld door deze tegengestelde bewegingen. Dat zou je kunnen omschrijven als de ‘wraak van de geografie op de politiek’.

De opkomst van het populisme is een begrijpelijke reactie op de wijde wereld: bij de Franse verkiezingen lijkt zo’n 30 procent van de kiezers te stemmen op een rechtse of linkse variant van ‘eigen volk eerst’. Hier is het niet anders. Een optimistische visie op deze tijd zegt dat we met vallen en opstaan een nieuw evenwicht vinden in een open samenleving. Zeker is dat niet: het kan zijn dat de globalisering niet alleen de soevereiniteit aantast, maar tegelijk het geloof in de democratie. Ook een achterhoedegevecht kan uit de hand lopen.