De oud-kolonisator en zijn rol

De relatie tussen Suriname en Nederland is bijzonder, maar wordt gehinderd en gecompliceerd door de persoon van de Surinaamse president Desi Bouterse. Dat was de opvatting van toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Verhagen (CDA) toen Bouterse in juli 2010 door het parlement tot president werd gekozen. De huidige minister Rosenthal (VVD) deelt deze mening. Bouterse is in Nederland tot acht jaar gevangenis veroordeeld wegens drugshandel – een straf die hij niet heeft ondergaan – en hij is in Suriname de hoofdverdachte van de Decembermoorden in Paramaribo uit 1982, en niet alleen daarvan.

Terwijl de rechtszaak tegen Bouterse en andere verdachten nog loopt, heeft het Surinaamse parlement gisteravond een omstreden amnestiewet aangenomen waarvan het hoofddoel is hem en de anderen te vrijwaren van een straf die de krijgsraad mogelijk oplegt. Het parlement heeft hiermee, de tegenstand van de oppositie ten spijt, de bijl aan de wortel van de rechtsstaat gezet. Het is reden voor Nederland om de relatie met Suriname opnieuw te bezien, zo blijkt uit het besluit van Rosenthal om ambassadeur Jacobi voor overleg terug te roepen uit Paramaribo.

Nederland staat lang niet alleen in zijn afkeer van het amnestiebesluit. De Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de Verenigde Staten en de Europese Unie hebben het parlement in stevige bewoordingen opgeroepen af te zien van zijn heilloze voornemen. Dat is van belang, want het is maar de vraag of Nederland voorop moet lopen bij het internationale protest tegen de ontwikkelingen in Suriname. Onmiskenbaar blijft Nederland voor veel Surinamers de voormalige kolonisator en moet om die reden niet hoog van de toren blazen. Bovendien is de verdragsrelatie tussen beide landen, die Suriname sinds 1975 zo’n 1,6 miljard euro heeft opgeleverd, vrijwel ten einde.

Nederland onderhoudt met president Bouterse niet meer dan het hoogstnoodzakelijke zakelijke contact. Voor hem blijft gelden: hij is hier slechts welkom om zijn straf uit te zitten. Maar op ander terrein is er wel sprake van samenwerking. Vorig jaar nog meldde Rosenthal aan de Tweede Kamer positieve resultaten bij de drugsbestrijding dankzij de strafrechtelijke samenwerking tussen beide landen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken faciliteert verder contacten tussen maatschappelijke organisaties uit de twee landen. De historische banden en de aanwezigheid van een grote Surinaamse gemeenschap in Nederland zijn daarvoor goede redenen.

Of en hoe lang de amnestiewet standhoudt, staat te bezien. Hopelijk zal de internationale druk op het Surinaamse parlement effectief zijn. Juist omwille van dat resultaat is de Nederlandse Staat niet de eerst aangewezene om zijn rol luidruchtig te spelen.