‘De panden zijn nu mooier dan toen’

Koningin Beatrix opende gisteren een stukje Jordaan in Arnhem. In het Nederlands Openluchtmuseum zijn huizen en krotten uit de Westerstraat herrezen. Mét ‘Turkenpension’. „Hé, hier ging je vroeger een trapje af.”

De Amsterdamse Westerstraat, herbouwd in het Openluchtmuseum in Arnhem, is gisteren geopend door Koningin Beatrix. Acteurs van ‘De Jantjes’, onder wie Willeke Alberti, zongen liedjes uit de musical die in Jordaan speelt en in september in première gaat. Foto’s Olivier Middendorp

De naam van zijn grootvader prijkt nog altijd op de gevel: H. Gasman. Hendriks 62-jarige kleinzoon Martin Gasman is „ijdel genoeg om het leuk te vinden” dat hun achternaam nu op een gevel in het Nederlands Openluchtmuseum staat.

Zijn familie had tientallen jaren geleden een ‘behangerij’ in dit pand. Zijn grootouders woonden er ook, op de begane grond in het huis naast de winkel. Tot 2001 stond het aan de Westerstraat in de bekendste volksbuurt van Nederland, de Jordaan. Vanaf vandaag is dit stukje Amsterdam te zien in Arnhem. Het gaat om drie panden met daarachter enkele krotwoningen die al in 1934 onbewoonbaar werden verklaard. Ze moesten wijken in 2002 voor „huisvesting voor zorgbehoevende ouderen”.

De sloop van de panden stuitte destijds op veel verzet uit de buurt. „Met een heel clubje waren we tegen”, zegt woordvoerder Theo Hoff van de Vereniging tot Behoud van de Jordaan. „Je haalt toch een stuk historie weg.”

Gasman, aanwezig bij de feestelijke opening, gistermiddag door de koningin: „Het is vreemd om de huizen zo terug te zien, met een molen op de achtergrond. De panden zien er mooier uit dan toen. Ze waren redelijk vervallen, zelfs al in mijn kindertijd.”

Met de huizen raakt ook „het verhaal van de stad” verankerd in het museum, zegt directeur Pieter-Matthijs Gijsbers. Volkscultuur houdt niet op bij het platteland, boeren en vissers, stelt Ad de Jong, voormalig wetenschappelijk medewerker van het Openluchtmuseum en bijzonder hoogleraar Nederlandse cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In het honderd jaar oude museum zijn behalve boerderijen, molens en schuren inmiddels ook een ‘Molukse barak’ te vinden waar KNIL-militairen en hun gezinnen in de jaren vijftig werden ondergebracht, en een Chinees restaurant.

Het idee voor verplaatsing van de huizen van Amsterdam naar Arnhem kwam van De Jongs echtgenote, een Amsterdamse, die ook na haar vertrek uit de hoofdstad dagblad Het Parool bleef lezen. Ze las dat er panden aan de Westerstraat zouden worden gesloopt. „Ze vroeg me of dat niks voor ons was”, zegt De Jong. „Ik heb het artikel uitgeknipt en ben ermee naar de directie gestapt. We waren al op zoek naar mogelijkheden om meer stedelijkheid in het museum te brengen. En toen ik later hoorde dat er een Turkenpension in had gezeten, dacht ik, hebbes. Want we wilden ook graag meer aandacht besteden aan migratie, aan de grote verscheidenheid aan bevolkingsgroepen in Nederland.”

Het ‘Turkenpension’ is nagemaakt, precies op de plek waar het in de Jordaan ook zat, in de ‘behangerij’ van Gasman. Dat bedrijf werd in de jaren zestig van de hand gedaan toen er met het behangen van muren niet veel meer te verdienen viel, vertelt de kleinzoon. In het gereconstrueerde pension staan stapelbedden met dekens, er hangt een sjaal van de Turkse voetbalclub Fenerbahçe, er staat Turkse thee op een tafel. Het pension is herbouwd aan de hand van foto’s van andere pensions in Amsterdam, gemaakt door fotograaf Koen Wessing, en verhalen van gastarbeiders, opgetekend door cultuurhistoricus Vinnie van der Linde. „Die waren niet zo pessimistisch als je misschien zou denken”, vertelt hij. „Maar ze moesten wel hard werken en ze hadden wel veel last van heimwee.”

Gasman zelf is vooral nieuwsgierig naar het huis waar eens zijn opa en oma woonden. Hij opent de voordeur: „Hé, hier ging je vroeger een trapje af, drie treden naar beneden.” Nu niet meer, want het Openluchtmuseum heeft de ruimte een nieuwe bestemming gegeven. „Daar bij het raam zat ik wel eens. Dan keek je tegen de knieën aan van de mensen die op straat voorbij liepen.” Het huis is nu ingericht als een café uit de jaren zeventig, geïnspireerd op een bestaand café in de Jordaan (De Koevoet). Het lijkt alsof de gasten net zijn vertrokken; er staat een halfvol bierglas op de bar naast een asbak vol uitgedrukte peuken.

De krotwoningen aan de Pottenbakkersgang ziet Gasman voor het eerst in zijn leven. „De gang was altijd afgesloten met een hek.” In de zeventiende eeuw werden huizen gebouwd op Amsterdamse achtererven die bereikbaar waren via smalle steegjes. Om de snel groeiende bevolking te huisvesten, moest alle ruimte worden benut. De huizen werden bewoond door arbeiders. Door overbevolking en armoede raakten de woningen steeds verder in verval. Rond 1900 woonden mensen er onder erbarmelijke omstandigheden. De krotwoningen zijn herbouwd zoals ze zijn aangetroffen in 2001, met plastic regenpijpen en dichtgetimmerde ramen.

Het pand dat oorspronkelijk naast het woonhuis van Gasmans grootouders stond, herbergt een postkantoor uit de jaren vijftig. Hij kent het als een branderij, waar het naar pinda’s rook. Op de vraag wat hem is bijgebleven van het leven in de veel bezongen Jordaan, antwoordt hij: „Het is maar gedeeltelijk waar van wat ze vertellen. Niet iedereen was er volks.”

    • Annette Toonen