Waarom dieren geen ziel hebben...

In ieder mens schuilt iets dierlijks. Maar schuilt er in dieren ook iets menselijks? Onzin, zegt filosoof René ten Bos. Want dieren hebben geen ziel. Mensen trouwens ook niet.

Sinds Darwin hebben fatsoenlijk denkende mensen er geen moeite mee te erkennen dat er iets dierlijks in mensen zit. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we ons daarom maar als dieren zouden moeten gedragen. Het feit dat er iets dierlijks in ons zit, betekent niet dat we dieren zijn. Met dit type redeneringen kunnen we, geconfronteerd met het onverbiddelijke oordeel van de evolutietheorie, toch nog enig zelfrespect bewaren. De menselijkheid in ons stijgt vanuit een dierlijke ondergrond naar boven.

Nu zijn er sommige mensen die beweren dat dit laatste ook in het dier zelf mogelijk is. Immers, als onze soort zijn menselijkheid uit het dierlijke naar boven weet te halen, waarom zouden andere soorten niet hetzelfde trucje kunnen uithalen? Het uitgangspunt van Darwin wordt daarmee omgedraaid: als er iets dierlijks in ons zit, dan moet er wel iets menselijks in hen zitten. Om dat te staven gaan we vooral kijken naar de ‘hogere’ soorten. Apen, zo weten we, zijn in staat tot abstractie en wiskunde. Laboratoriumtesten wijzen dat uit. Dichter bij huis weten hondenbezitters dat hun bezit hen begrijpend aankijkt. Sterker nog, als het baasje zich ziek voelt of weg gaat, worden onze huisdieren door onvervalste melancholie overvallen. Ook staat de empathie van walvissen en olifanten als een paal boven water.

Het dier wordt hiermee in de wereld van het burgermansfatsoen opgenomen. Eigenlijk, zo weet Marianne Thieme, staan dieren ethisch op een hoger plan dan de mens. We kunnen, als het om ethiek gaat, nog heel wat van ze leren. Dat het dier tot menselijkheid in staat is, blijft in de discussies niet beperkt tot de ‘hogere’ soorten. Een tijd geleden schreef een mevrouw van een stichting ter bevordering van de vissenbescherming mij een brief waarin ze betoogde dat goudviskommen moreel onaanvaardbaar zijn omdat goudvissen er „ongelukkig” zijn en er zich niet „kunnen ontplooien”.

Het verschijnsel dat dieren menselijke eigenschappen toegedicht krijgen, noemen we antropomorfisering. Het is niet zinvol om tegen antropomorfisering te zijn. Als je in een boek over zeedieren leest dat sommige microben zich „prettig voelen” onder extreme omstandigheden, dan is dat ook een antropomorfisering. Wij weten natuurlijk niet echt wat die beestjes ‘voelen’ als zij onder extreme hitte bij vulkanische schoorstenen op de oceaanbodem methaan produceren, maar we moeten nu eenmaal mensentaal gebruiken om iets over het onmenselijke te kunnen zeggen. Zeebiologen die over het onderwerp schrijven, creëren een onvervalste ‘industrial gothic’ om het werk van hun favoriete microben te beschrijven: op de oceaanbodem zijn er zwarte en rokende fabrieken die doen vermoeden dat de arbeidsomstandigheden er net zo onprettig zijn als die in de fabrieken waar Charles Dickens ooit over schreef. De kleine, maar dappere methaanarbeiders worden door wetenschappers extremofielen genoemd. Zelfs dit lijkt een vermenselijking die de vraag oproept, althans bij mij, of er ook onder mensen extremofielen zijn. Het gekke is dan dat je aan andere dingen gaat denken dan aan kleine metaalarbeiders.

Maar alle gekheid op een stokje, er zijn slechts weinig biologen op het idee gekomen extremofiele bacteriën echt menselijke eigenschappen toe te dichten. De kernvraag is: wat zijn menselijke eigenschappen? Ethisch vermogen, cultureel vermogen? Arbeidsvermogen? Of moet je uit een heel ander register plukken en je afvragen of dieren misschien ook de neiging hebben de snelheidslimiet te overschrijden of de fiscus te tillen? Of willen ze, net als wij, vaak neuken, want ook dat lijkt een typisch menselijke eigenschap?

Filosofen proberen de discussie te ordenen door te zeggen dat het om wezenlijke en niet om toevallige eigenschappen dient te gaan. Goedheid en geilheid bestaan bij de mens, maar zeker niet bij alle mensen. Het gaat hier om toevallige eigenschappen. Lange tijd hebben die filosofen gedacht dat de aanwezigheid van de ziel wèl een wezenlijke eigenschap van de mens is. Sommige Griekse filosofen gaven toe dat planten, dieren en vrouwen ook een ziel hadden, maar tekenden daarbij aan dat het slechts om de ‘lagere’ – vegetatieve of animale – delen ervan kon gaan. Het hogere en dus denkende deel kon je slechts aantreffen bij sommige mannelijke mensen. Veel later, aan het begin van de moderne tijd, zouden filosofen als René Descartes de ziel in zijn geheel uitsluitend aan mensen toebedelen. Dieren, zo vond hij, hadden geen ziel en konden daarom ook geen pijn voelen of denken, want dat zijn allemaal dingen die niet buiten de ziel kunnen gebeuren.

Nu leven we in een tijd dat we de ziel niet langer kunnen voorbehouden aan de mens. Er zijn vrouwenzielen en kinderzielen gekomen. Tegenwoordig worden we omringd door dierenzielen. En zoals vrouwen en kinderen door hun ziel mensen zijn geworden, zo zal dat misschien ooit ook met dieren gaan. De voortekens bedriegen niet. Dierenzielkunde is ongekend populair. Zogenaamde cognitieve ethologen schrijven boeken met titels als Minding Animals. Dat betekent dat we ons niet alleen wat moeten aantrekken van dieren, maar ze ook een ziel moeten geven.

Het is natuurlijk allemaal onzin. Er is geen ziel, niet bij de mens en niet bij het dier. En dat maakt alles wat leeft op de planeet helemaal niet zielig.

Wie dit oordeel te hardvochtig vindt, kan wellicht leven met de gedachte dat de ziel zelfs bij mensen geen wezenlijke eigenschap is. De Poolse dichteres Wyslawa Szymborska verwoordde dit inzicht ooit eens heel fraai: ‘Een ziel heb je zo nu en dan./ Niemand heeft haar ononderbroken en voor altijd.’ Hier wordt de ziel echter iets anders dan wat men er in de dierenzielkunde of filosofie onder verstaat. Voor de dichteres is de ziel enkel een nu en dan opflakkerende mogelijkheid.

Maar die mogelijkheid doet zich ook bij dieren voor. Een paar weken geleden lieten de boeren de koeien uit de stallen. Op televisie zagen we hoe de dieren dartelend de weide in renden. Heel even hadden ze een ziel. Wie denkt dat dit een antropomorfisering is, heeft het niet begrepen.

René ten Bos is hoogleraar filosofie aan Faculteit der Managementwetenschappen van de Radboud Universiteit.