Is de BMI nog wel dé obesitas maatstaf?

Het probleem van obesitas, ernstig overgewicht, is in de VS veel groter dan de 20 procent van de Amerikaanse bevolking waarvan de gezondheidsautoriteiten tot nu toe uitgaan. Dat schrijven twee artsen die met een röntgenscan hebben gekeken naar de verhouding lichaamsvet en ander weefsel bij ruim 9.000 mensen in een privékliniek. De oude schattingen van overgewicht op basis van de wereldwijd gebruikte Body Mass Index, BMI (de verhouding tussen gewicht en lichaamslengte), geven een flinke onderschatting, schreven Eric Braverman en Nirav Shah gisteren in het wetenschappelijke tijdschrift PLoS ONE.

De artsen denken dat maar liefst een kwart van de mannen en bijna de helft van de vrouwen op basis van hun BMI in de verkeerde categorie belandde. Volgens de nieuwe metingen hadden ze niet slechts overgewicht, maar waren ze obees. Een belangrijk verschil, want obesitas geeft een groter risico op ernstige aandoeningen als suikerziekte, hart- en vaatziekten en kanker.

Zou dit ook betekenen dat het obesitasprobleem in Nederland onderschat wordt? Hoogleraar voeding en gezondheid Jaap Seidell van de Vrije Universiteit in Amsterdam denkt van niet. Hij zegt dat het „geen nieuws is dat de BMI geen goede maat is voor overgewicht”. Op individueel niveau bestaat een enorme variatie, afhankelijk van hoe gespierd iemand is, zegt hij. „Dat kun je al op je klompen aanvoelen.”

Het gaat volgens Seidell ook niet alleen om hoeveel lichaamsvet iemand heeft, maar vooral wáár het zit. Vooral buikvet is ongezond. Seidell: „Een vrouw kan gerust een vetpercentage van 30 of 40 procent hebben zonder consequenties, zo lang het maar op de goede plaats zit.” Volgens Seidell is de BMI niet perfect, maar biedt die wel houvast. „Als je BMI boven de 30 komt, weet je zeker dat je te vet bent. En als hij boven de 25 is, zou ik gezonder gaan leven.”

De BMI is te berekenen door iemands gewicht in kilo’s te delen door het kwadraat van de lengte in meters.