Hier liepen Jozef en Maria ook

De Westelijke Jordaanoever is, anders dan veel toeristen denken, veilig, toegankelijk en schitterend. En de beste manier om dat te ervaren, is te voet.

Correspondent Israël

Wie dacht dat woestijnen vlak, dor en saai zijn, moet in maart uitstappen bij het Grieks-orthodoxe klooster Mar Saba, ten oosten van Bethlehem. Om dan diep in het dal de rivier Kidron over te steken en door te lopen naar het ruim tweeduizend jaar oude fort Hycarnia, dat uitkijkt over de Dode Zee en de bergen van Jordanië. Onderweg loslopende babydromedarissen, resten van een antieke stuwdam en bloemetjes in geel en paars. Intussen zicht op steile, maar afgeronde rotsige bergen die door de winterregen zijn bestreken met een groene waas van grasjes.

Dit is de Palestijnse Westelijke Jordaanoever, die sinds 1967 door Israël wordt bezet. Meestal wordt het gebied in één adem genoemd met controleposten, legerjeeps, nederzettingen, traangas, prikkeldraad en wegversperringen. Daar is vaak alle aanleiding voor en er wordt zelden overdreven. Maar daarbij wordt wel voorbijgegaan aan de terrassen vol bloeiende amandelbomen in het noorden. In het westen de velden vol rode anemonen. Overal wilde mint, salie en tijm.

Toeristen die Israël bezoeken, laten de Westelijke Jordaanoever vaak links liggen. Ze denken dat ze niet in bezet gebied kunnen of mogen komen. Ze vinden het politiek onkies om het te betreden. Of ze associëren de Westelijke Jordaanoever met ellende en geweld, niet met ontspanning en plezier. Wie bij een Israëlisch autoverhuurbedrijf vraagt of de auto mee de Westelijke Jordaanoever op mag, krijgt verschrikte blikken. Daar moet je niet heengaan, horen toeristen, het zou er gevaarlijk zijn. Een huurauto mag niet mee.

Maar de Westelijke Jordaanoever is over het algemeen veilig, toegankelijk, interessant en schitterend. En de beste manier om dat te ervaren is te voet. Jozef en Maria wisten dat, maar de Palestijnen schijnen het vergeten te zijn. Omdat er nauwelijks routemarkeringen zijn, geen degelijke reisgidsen of kaarten, schreef een Nederlandse diplomaat Walking Palestine, een Engelstalig boek met 25 wandelroutes over de Westelijke Jordaanoever. Vanaf deze maand is het te koop.

De auteur, Stefan Szepesi, werkte jaren in Jeruzalem voor het Midden-Oostenkwartet van de Verenigde Naties, de Verenigde Staten, de Europese Unie en Rusland en begon in 2008 in het wilde weg te wandelen. Omdat het er zo mooi uitzag vanuit de diplomatenauto onderweg naar Ramallah. En uit nieuwsgierigheid, om te zien of het kon. In zijn kielzog groeide een groep buitenlandse diplomaten, journalisten, medewerkers van non-gouvernementele organisaties, activisten en Palestijnen. Inmiddels hebben zich meer dan tweehonderd man aangesloten bij de wandelgroep, die in de mildere maanden – van november tot mei – wekelijks in verschillende formaties op pad gaat.

En nu is er het boek, waarmee het gebied wordt ontsloten voor het grote publiek. Het vertelt niet alleen waar te lopen, wat te zien en welke schoenen te dragen. De wandelgids is volgens de auteur „in zijn geheel een verhaal over de bezetting”. Het legt kort uit hoe de Westelijke Jordaanoever is verdeeld in de zones A, B en C, waar de Israëlische en Palestijnse autoriteiten verschillende vormen van zeggenschap en controle over hebben. Het vertelt dat Palestijnen door de Israëlische bezetting problemen hebben met hun watervoorziening en waarom ze hun olijfboomgaarden niet of nauwelijks kunnen bereiken.

Het boek heeft echter een „positieve inslag”, aldus Szepesi. De wandelroutes mijden grote controleposten waar vaak demonstraties zijn en nederzettingen waarvan de kolonisten gewelddadig zijn. Ze voeren langs een bierbrouwerij, een zeepfabriek, olijfgaarden. „De bezetting moet erin”, zegt Szepesi. „Anders begrijpen wandelaars het gebied niet. Maar ik wil het niet door hun strot duwen.”

Wat de auteur wel wil, is een „ander gezicht van Palestina laten zien”. Maar de wandelaar op de Westelijke Jordaanoever wordt wel degelijk geconfronteerd met de symbolen van de bezetting. Rond Nablus ziet de wandelaar op alle heuveltoppen de witte caravans van illegale Israëlische nederzettingen. Vanaf fort Hycarnia bij de Dode Zee ziet hij een Israëlische legerbasis liggen. Om op het startpunt te komen, moet de wandelaar door een controlepost.

Toch stemt een wandeling Szepesi veel positiever dan een dag op kantoor, zegt hij. „Want je ziet en hoort meer dan bezetting. Laatst liep ik met een Palestijnse gids uit Jenin. Pas na vier uur praten realiseerde ik me dat de bezetting niet ter sprake was gekomen. Zijn leven draait er niet om. Dat gaat om trouwen, werken en kinderen krijgen. Hij wacht daar echt niet mee tot de situatie verandert.”

Szepesi gaf een exemplaar aan een Palestijnse hoteleigenaar in Oost-Jeruzalem, die zei dat het boek hem trots maakte. „Wat gek lijkt”, aldus Szepesi, „want hij heeft het niet geschreven. Maar het boek bevestigt duidelijk de positieve kant van de Palestijnse identiteit, voor de verandering eens niet de slachtofferkant.” Hij hoopt dat buitenlandse wandelaars door te lopen met Palestijnen in gesprek komen en meer zien van het dagelijkse Palestijnse leven, onder maar ook zonder bezetting.

In de woestijn bij Mar Saba is de bezetting ver weg. In deze leegte willen zelfs de fanatiekste Israëlische kolonisten niet wonen. Palestijnse toeristen komen er niet. De paar Israëlische dagjesmensen die er rondrijden, blijven meestal in hun grote auto’s met vierwielaandrijving zitten. Op de slangenpaadjes rond Hycarnia zijn de enige tegenliggers bedoeïenen. Ze koken thee op een vuur van twijgjes en rijden op ezeltjes van en naar hun kuddes vee. Engels spreken ze niet, wel wat Hebreeuws. Wie met of zonder wandelboek zijn weg niet vindt, mag in ruil voor koekjes achterop.