Brieven opinie

Effectiviteit helmtherapie is nog niet bewezen

Ik houd mij aan de Universiteit Twente bezig met het onderwerp schedelvervorming. Op sommige punten is het artikel ‘Helmtherapie voor een mooiere baby’ (NRC Handelsblad, 27 maart) onvolledig. De mening en ervaring van een professional wordt gepresenteerd als vaststaand feit.

Gesteld wordt dat de effectiviteit van helmbehandeling niet ter discussie staat. Dit klopt niet. De precieze effecten van helmbehandeling zijn nog niet goed onderzocht.

Wij voeren in Drenthe, Overijssel en de Achterhoek een grootschalig onderzoek uit naar de effectiviteit van helmbehandeling. In 2013 zullen wij de eindmetingen afronden. Dan pas kunnen we de vraag beantwoorden of helmtherapie effectiever is dan het afwachten van natuurlijk herstel. Bij kinderen met zeer ernstige schedelvervorming of met bijkomstige problemen, zoals ontwikkelingsachterstand, kunnen bovendien ook andere afwegingen een rol spelen.

Ook is het jammer dat in het artikel de suggestie wordt gewekt dat de jeugdgezondheidszorg haar werk niet goed doet rond dit thema, zonder dat zij zelf aan het woord komt. Onlangs is in overleg met diverse partijen een nieuwe richtlijn ontwikkeld voor de jeugdgezondheidszorg. Hierin wordt geadviseerd terughoudend te zijn met het aanbieden van helmtherapie buiten wetenschappelijke studies om.

Tussen lezers van het artikel zitten ongetwijfeld vele ouders met een kind met schedelvervorming. Wij vinden het jammer dat dit artikel ouders mogelijk op het verkeerde been zet.

Renske M. van Wijk, MSc

Namens de projectgroep HEADS van de Universiteit Twente

Ambtenaren worden nu ook al eenvoudig ontslagen

Ron Niessen doet een aanval op het wetsvoorstel van D66 en het CDA dat de rechtspositie van ambtenaren gelijktrekt met die van ‘gewone’ werknemers (Opinie, 28 maart). Het wetsvoorstel zet volgens hem de deur open voor willekeur. Overheidswerknemers met een dubbele nationaliteit of hoofddoek moeten vrezen voor hun baan. Uit deze uitlatingen blijkt hoezeer Niessen is losgezongen van de praktijk, met zijn aanname dat het ambtenarenrecht een betere bescherming biedt tegen ontslag.

Het private en het ambtenarenontslagrecht zijn in de afgelopen decennia al verregaand naar elkaar toe gegroeid. Formeel kunnen ambtenaren alleen worden ontslagen op grond van een beperkt aantal, nauwkeurig omschreven ontslaggronden, maar inmiddels kennen alle ambtelijke rechtspositieregelingen ook een achterdeur, in de vorm van ‘andere’ – niet gespecificeerde – ontslaggronden. Overheidswerkgevers kunnen tegenwoordig behalve de primaire ook een subsidiaire ontslaggrond aanvoeren. Dit verkleint de kans dat de rechter het ontslagbesluit vernietigt. Bovendien laten bestuursrechters een op onjuiste gronden gegeven ontslag steeds vaker in stand.

Ronduit potsierlijk is de suggestie dat een verminderde ontslagbescherming toelaatbaar is mits deze wordt ‘afgekocht’ met een marktconforme beloning. Nog los van het gegeven dat het salaris van verreweg de meeste ambtenaren zeer ‘marktconform’ of hoger is, biedt het wetsvoorstel juist de mogelijkheid om beloningsknelpunten aan de bovenkant van het loongebouw effectief het hoofd te bieden. Het wetsvoorstel gaat niet over arbeidsvoorwaarden van ambtenaren, maar zet wel de overheid – in zijn hoedanigheid van wetgever en hoeder van het algemeen belang – op afstand van de cao-onderhandelingstafel. Daar zit dan de overheid aan in haar hoedanigheid van werkgever.

De arbeidsmarkt wordt krapper. Ondanks een drastische krimp van de overheid zal de concurrentie sterk toenemen, zowel in het publieke als in het private segment. Ook overheidswerkgevers zullen zich moeten profileren als een aantrekkelijke werkgever, met een goed en op de sector toegesneden pakket aan arbeidsvoorwaarden.

Daar kan geen ambtelijke rechtspositie tegenop!

Paul du Bois

Arbeidsjurist, Amstelveen