Terug naar Gümüs

Kleermaker Zekeriya Gümüs werd als eerste migrant uitgezet. Het gezin bewaart de brieven uit Nederland. ‘Het was leuk dat je hier was.’Bram Vermeulen

Gümüs in 1997 Foto Vincent Mentzel

Rond het standbeeld van Mustafa Kemal Atatürk in deze stoffige stad in het hart van Anatolië klinkt Hollands geroezemoes. Zo zitten ze hier elke dag op dit bankje in het centrum van Karaman, de teruggekeerde Turkse migranten. Werkloos maar thuis. Daar heb je Sekret Buyuket, jarenlang werkzaam in een textielfabriek bij Amsterdam, maar elf jaar geleden uitgezet om een gebrek aan de juiste papieren.

Verderop, in het restaurant op de hoek, staat Zeki Dalaman döner kebab te snijden. Beverwijk, Bergen op Zoom, Amsterdam. Hij zag heel Nederland, verdiende er naar eigen zeggen tienduizenden euro’s en verspeelde ze allemaal in het casino. Totdat de politie hem vond, zonder papieren, en hij werd uitgezet.

En daar, net uit het roestige blauwe autootje gestapt, heb je Zekeriya Gümüs en zijn vrouw Esme. Zij draagt haar hoofddoek. Zijn gitzwarte haar is grijs geworden. „Van de zorgen”, zegt hij, met nog steeds dezelfde brede glimlach waarmee hij in de Amsterdamse Pijp de harten won. De beroemdste kleermaker van Amsterdam, die op 1 oktober 1997 onder luid protest van de buurt Nederland werd uitgezet, spreidt zijn armen alsof hij een oude vriend weerziet. „Van het Nederlandse volk ben ik altijd blijven houden”, zegt hij in het Nederlands, voor hij op het Turks overschakelt. „Maar heimwee heb ik niet. Een land dat je niet wil hebben, kun je niet missen.”

Zengin Adam. Zo kennen ze hem hier in Karaman. De rijke man. „Vraag maar naar de rijke man, als je de weg naar mijn huis niet kunt vinden”, heeft Gümüs over de telefoon gezegd. Karaman is een middelgrote stad van 700.000 inwoners, maar soms is het net een dorp. Niemand in de buurt is het ontgaan dat de uitgezette kleermaker uit Holland 100.000 gulden meekreeg van miljonair en zakenman Bram van Leeuwen, beter bekend als de Prins de Lignac. Van dat geld is niets meer over, treurt hij. „Maar dat weet Karaman niet.”

Vrient

Veel geld ging op aan rekeningen nadat zijn zoon in het ziekenhuis terechtkwam door een auto-ongeluk. Zonder verzekering kan een gebroken been in de papieren lopen. Toen wist de maffia hem te vinden. „In de jaren negentig was die hier nog heel actief. Ze konden doen wat ze wilden. Toen ze hoorden van de ton die ik had gekregen, dreigden ze de politie te vertellen dat ik het geld had verdiend met wapenverkopen. Tenzij ik betaalde.” Dus hij betaalde.

Nu wonen hij en zijn vrouw in een driekamerwoning, met lage deuren en dikke tapijten op de vloer.

Er staan een kleine bank en een tafeltje. Hij laat de ‘verboden kamer’ zien. Hier ligt de hele Nederlandse geschiedenis van de familie Gümüs in foto’s en plakboeken opgebaard, als een voorbij mensenleven. De brieven van de klasgenootjes aan hun twee zoons. „Lieve Samet. Ik ben een Surinamer. Ik was jou vrient. Weet je hoe groot ik ben geworden. Het was leuk dat je hier was. Anthony.”

Zekeriya groeide uit tot het symbool van de veranderingen in de migratiepolitiek van Nederland. De schaapherder uit het dorpje Ortaoba, vlakbij Karaman, besloot eind jaren tachtig met een toeristenvisum naar Nederland te verhuizen nadat zijn tweede kind was gestorven aan ondervoeding. Hij volgde slechts de exodus uit deze verpauperde provincie. Sinds begin jaren zestig trok ruim twintig procent van de bevolking naar Europa. Zijn broer was hem in de jaren zeventig voorgegaan. Die woont nog steeds in Nederland. Gepensioneerd. Legaal. Maar Zekeriya Gümus arriveerde in een ander Nederland, waar eind jaren tachtig de werkeloosheid tot recordhoogtes was gestegen en na de Bijlmerramp in 1992 de jacht op illegalen begon.

Gümüs dompelde zich onder in de Turkse gemeenschap in de Pijp, vond werk als kleermaker en meldde zich keurig aan bij alle instanties, kreeg een sofinummer, betaalde kijk- en luistergeld. Het enige wat hij niet had, was een verblijfsvergunning. Dat werd een probleem toen staatssecretaris Schmitz de richtlijnen aanscherpte en bepaalde dat vreemdelingen gelegaliseerd konden worden als ze konden aantonen dat ze zes jaar inkomen hadden ontvangen en belasting hadden afgedragen. Gümüs kwam vijf maanden tekort.

„Ik heb altijd de waarheid verteld. Ik heb altijd hard gewerkt. Ik had iemand met een Nederlands paspoort kunnen trouwen. Zo veel mensen om mij heen hebben gelogen. Zo veel mensen werkten niet. Zij zijn nog steeds in Nederland. Ik ben altijd oprecht gebleven. Daarom ben ik alles kwijt.”

Herkend

Eén keer gingen ze terug naar Nederland. In 2003 reisden ze opnieuw met een toeristenvisum naar Amsterdam. „Maar geen van onze Turkse vrienden durfde ons in huis te nemen. Ze waren zo bang dat ik op straat herkend zou worden, dat ze ons na een dag weer wegstuurden. Dat heeft ons veel verdriet gedaan.”

In 2000 ging Gümüs werken als gastheer voor een Nederlands reisbureau in de badplaats Alanya, om als bekende Turkse Nederlander toeristen rond te leiden. Maar nadat de media-aandacht voor zijn lot ophield, stopte ook de toestroom van toeristen.

Karaman ademt die sfeer van mislukte idealen. De stad profiteerde nauwelijks van het geld dat uit Europa naar huis werd gestuurd. „Migranten bouwen wel nieuwe huizen met dat geld, maar geen winkels, geen fabrieken. Dat doen ze toch liever in het land waar ze hun geld hebben verdiend”, zegt Gümüs.

Nog eenmaal reikte hij uit naar de Nederlandse staat, bij het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Turkije in 2007. Hij overhandigde een brief met de vraag of hun twee zoons tot Nederland konden worden toegelaten om te studeren. „Ik wilde hun toekomst redden”, zegt zijn vrouw Esme. Het antwoord: „Regels zijn regels.”

De koningin komt dit jaar weer, om de 400 jaar diplomatieke betrekkingen tussen Nederland en Turkije te vieren. Gümüs hoeft haar niet meer te zien. „Ze is ook maar koningin. Ze kan niks voor me doen.”

Zijn oudste zoon Ramazan vertrok uiteindelijk toch naar Nederland. Hij trouwde een Turks-Nederlandse vrouw en kreeg twee kinderen. Ze zijn legale Nederlanders. De Nederlandse regering doet pogingen om dergelijke migratie ook te stoppen, bijvoorbeeld met een nieuwe wet die dubbele nationaliteit voor nieuwe Nederlanders aan banden legt.

Intussen wijst de rechter voortdurend op het schenden van het associatieverdrag uit 1963, dat vrij reizen voor Turken naar Nederland garandeerde. Zo sneuvelde al de plicht op inburgeringcursussen voor Turken en ook de visumplicht voor Turkse zakenmensen. „Nederland heeft nu veel racisten. Het is moeilijk geworden voor buitenlanders”, zegt Gümüs. Zijn vrouw legt haar hoofd op zijn schouder.

„Er zijn dagen dat ik boos ben over wat ons is overkomen. Maar we zijn nog bij elkaar. We zijn gelukkig. De meeste dagen wel, ja.”