Nederland is vanaf nu een schrijver rijker

Wytske Versteeg: De wezenlozen. Prometheus, 200 blz. € 17,95 ****

Je zou het vaker willen zeggen over een debuut, maar vaak komt het er niet van: Nederland is een schrijver rijker. Maar nu mag het. Wytske Versteegs De wezenlozen ontpopt zich na een wat cryptische preambule al snel tot een intense roman over een gezin dat uit elkaar valt. Aan het hoofd van het gezin staat de classicus Siegfried van Oort, een man die als leraar en als vader van twee dochters gebukt gaat onder het erfgoed van de westerse intellectuele geschiedenis. Tegen de klippen op probeert hij zijn kinderen en de leerlingen in zijn klas te vormen zoals hij dat wil, vol aandacht voor Griekse en Romeinse denkers die hij zelf zo diep in zich meedraagt. Een man op een eiland, iemand op wie eigenlijk niemand meer zit te wachten. Nadat een van zijn dochters al vroeg in haar leven een ongeluk krijgt waarbij ze haar taligheid verliest, wordt zij Siegfrieds ‘project’ om autonoom te blijven.

Versteeg verwerkt weinig handeling in haar roman, maar wat ze wel doet, is het in af en toe verbluffend sterke zinnen bestoken van de familie Van Oort. Over Siegfrieds streven om de werkelijkheid in zijn netje van taal te vangen, schrijft ze: ‘Wat hij niet begreep, was hoe die woorden iets hadden gedefinieerd en ingekleurd wat hij zelf niet eens begreep, hoe ze het donkere, het roze hijgen hadden blootgelegd, maar de verwarring en de tederheid verborgen achter meedogenloos stenen geboden.’

Het roze hijgen!

Zoals veel andere schrijvers grijpt Versteeg seks aan om een personage definitief over het randje van het klif te duwen. Siegfrieds vrouw Clarissa wacht haar man thuis op in een laatste poging hem te ontdooien. ‘Ze moest iets doen om door zijn huid, zijn stilte en zijn traagheid heen te breken, het groeien van de stenen om hen heen te stoppen. Ze wachtte tot ze wist dat hij zou komen, de meisjes waren zwemmen en het huis was leeg, ze wachtte tot de deur geopend werd. Er was geen muziek, maar ze neuriede ‘Pink Panther’, neuriede met klakkende tong op een manier die haar uitdagend leek, terwijl hij in de deuropening bleef staan, zijn leren tas onder één arm, zijn jas nog aan en zij haar peignoir liet openvallen, wat onhandig, haar bleke lijf daaronder, haar borsten, haar tedere borst, dacht ze, in woorden die niet de hare waren, haar tedere borst en het netwerk van blauwe adertjes dat daarop zichtbaar was. Hij zei niet dat ze op moest houden, maar zijn hand omklemde de leren tas zo stijf dat zijn knokkels wit werden.’ Het is af en toe, en niet alleen in deze passage, bijna beangstigend dat er iemand is die in 1983 geboren is en die dit al lijkt te weten van mensen die veel ouder zijn dan zij zelf is.

‘Gewoontes, weet ze, zijn belangrijk’, valt er ergens anders over Clarissa te lezen. In De wezenlozen, een roman als een brandglas, zijn het vijf woorden waarmee de lezer wat adem gegund wordt na al die zinnen die in zijn hoofd tot ontbranding kwamen.