Schoonmaken = opruimen + luchten

De lente is de tijd voor de grote schoonmaak. leerde van haar oma de kneepjes van poetsen met de Franse slag.

Mijn oma had er precies de goede leeftijd voor. Ze was 32 in de jaren vijftig. En volgens Life Magazine, dat in 1956 de deugden van de perfecte huisvrouw bezong, was 32 de gemiddelde leeftijd van de volmaakte echtgenote/moeder die als een gedisciplineerde legerkapitein regimenten van flessen schoonmaakmiddel en potten zelf gekookte jam in het gelid hield.

Er is geen vrouwbeeld zo onsterfelijk gebleken als dat van die ideale huisvrouw. Ze figureert sinds de jaren vijftig in soaps en series, met haar schort en haar sjaaltje in het haar. En televisiereclames vol wonderwasmiddelen blazen haar elke avond weer nieuw leven in. En nu de zomertijd is ingegaan en de lange late lentezonnestralen elke avond in de huiskamer een ballet van dwarrelende stofdeeltjes verlichten – en waar komen die vette vingers op de ramen plotseling vandaan? – verschijnt ze weer voor ons geestesoog, met een stofdoek en een emmer sop in haar hand. Dat fantoom van die iconische huisvrouw, met het smetteloze uiterlijk van een filmster, weet het schuldgevoel perfect te bespelen. Het is lente, zegt ze. Dus niks nagels lakken en van zomerjurken dromen. Het is tijd voor de grote schoonmaak.

Die grote schoonmaak is iets uit een ver verleden. Van toen we onze huizen nog met kolen stookten en we eens per jaar het roet van de muren moesten krabben. En hoewel onze huizen tegenwoordig het hele jaar ‘brandschoon’ zijn, is die voorjaarsschoonmaak niet uit ons systeem te krijgen. Als de dagen gaan lengen, moeten de kasten leeg, de gordijnen eraf, kortom de hele dekselse boel overhoop. En voor je het weet zit je te midden van een batterij gifkleurige flessen met veiligheidsdoppen en een stapel duizenddingendoekjes, terwijl de moed je in de schoenen zinkt. Want duizend dingen? Zijn er echt duizend dingen te doen in het huishouden met die doekjes?

Anders dan haar generatiegenoten, die elk voorjaar de kasten uitmestten, het beddegoed te luchten hingen, de vloerkleden klopten en het liefste met een oude tandenborstel de randjes van het bad schrobden, was mijn oma er zelf meer eentje van de Franse slag. In het alledaagse taalgebruik mag dat dan wel zoiets betekenen als er maar een beetje met de pet naar gooien, maar mijn oma wist er een geuzennaam van te maken. Ze hield namelijk best van een fris en opgeruimd huis. Ze had alleen wel iets beters te doen dan een volle werkweek aan het huishouden en de schoonmaak te besteden. Zelf werken bijvoorbeeld. En tijd overhouden om met een sigaret (roken was nog chic) in het zonnetje te zitten en een damesblad te lezen. Vol schoonmaaktips. Heerlijk.

Bellen blazen

Wanneer mijn oma met groene zeep in de weer ging, dan was het om emmers vol zeepsop voor de kleindochters te maken om bellen mee te blazen. Geen probleem als er eentje omging. Dan was meteen het terras weer geschrobd. Twee vliegen in één klap.

Schoonmaken ging met zwier en jeu. Waar haar buurvrouw het liefste met een aardappelmesje het onkruid tussen de stoepstenen uitpeuterde, gaf mijn oma die paardenbloemen en herderstasjes liever nog een beetje extra water. Gezellig zo’n bloemetje voor de deur.

Zonder dat mijn oma het weet klinken haar Franse slag-tips door in al die duizenden doe-het-zelf-instructiefilmpjes op YouTube over wat te doen als onverwachts je schoonmoeder/baas/nieuwe geliefde op bezoek komt. Namelijk: schoonmaken = opruimen + luchten. En dan nog even met een klamvochtig lapje over alle in het oog springende oppervlakken. Simpel als dat.

Opruimen was echt de geheime truc van mijn oma. Alhoewel ik haar er soms ook van verdacht een soort Mary Poppins te zijn, de filmgouvernante die met één miraculeuze vingerknip van een hoopje rondslingerende kleren een keurig opgevouwen stapeltje kon maken en de bedden alleen maar aan hoefde te kijken om ervoor te zorgen dat ze zichzelf begonnen op te maken. Hele dagen heb ik op mijn kamer zitten oefenen op die magische vingerknip, tot ik erachter kwam dat opruimen bij oma ook betekende radicaal afrekenen met oude kranten, dat mandje met oude elastiekjes, paperclips en linten, die stapel losse sokken en al die andere dingen die goede huisvrouwen nu eenmaal voor altijd bewaren omdat je er ooit nog wel eens iets aan kan hebben. De kunst van het opruimen bestond volgens mijn oma uit weggooien. En als je dat nou maar een beetje bijhoudt en af en toe wappert met een nat lapje, dan is er eigenlijk geen kunst aan. Die Franse slag.

Zeep, soda en zand

In het Streekmuseum Krimpenerwaard is momenteel een kleine expositie aan het fenomeen van de grote schoonmaak gewijd. Toen vrouwen vanaf de industriële revolutie steeds meer buiten de deur gingen werken was het afgelopen met het aloude driemanschap van zeep, soda en zand om de boel schoon te krijgen. Al die nieuwe uitvindingen werden ingezet om ook het werk binnenshuis te vereenvoudigen. Elektrische apparaten moesten het handwerk verminderen en industrieel geproduceerde schoonmaakmiddelen deden de rest.

En net toen de welvaartsgroei na de Tweede Wereldoorlog al die wasmachines en stofzuigers ook voor iedereen beschikbaar maakte, ontstond in Amerika dat beeld van die ideale huisvrouw die al bij het krieken van de dag de vaatdoeken stond te strijken, een beeld dat op al die nieuwe televisietoestellen in de rest van de wereld te zien was. (Aan strijken deed mijn oma overigens ook niet. De strijkbout haal je pas tevoorschijn, zei ze, als je het tafelkleed op tafel legt of die kreukgrage jurk uit de kast trekt.)

Toeval of niet, op de dag dat ik in de bus door het Groene Hart naar Krimpen rijd, hangen in alle dijkhuisjes en gerenoveerde arbeiderswoninkjes de dekens uit de slaapkamerramen en de winterjassen te wapperen aan de lijn. Het is dus zover. De grote schoonmaak is begonnen.

Op de zolder van het Streekmuseum zijn tientallen potjes en nostalgische blikjes boenwas verzameld met namen als Roodvos, Kwiek, Zonneschijn. Helaas, op boenen en dweilen heeft mijn oma nooit iets kunnen vinden. Daar zat volgens haar maar één ding op: door de knieën. Alle supersonische mops, zelfuitwringende dweilen, stoomapparaten en boenmachines die ze in haar leven heeft aangeschaft, maakten volgens haar niet glanzend schoon. Daar was iets anders voor nodig: mankracht. Voor dat boenen en dweilen van de vloeren had ze gelukkig een hele rits kleindochters.

Het belangrijkste dat ik van mijn oma leerde: nadenken over schoonmaken geeft ook een opgeruimd gevoel. Dus morgen ga ik echt die stapel oud papier te lijf. En met een paar nieuwe dweiltjes is het aanrecht ook zo weer schoon. Zeefrisse zeepjes in de badkamer. En dan is er nog genoeg tijd over om met een glas wijn in de tuin te gaan zitten en te fantaseren. Over tuinieren bijvoorbeeld. En wat je allemaal wel niet met een nieuw paar tuinhandschoenen voor werk zou kunnen verzetten.