Nekschoten in Europa

Vandaag twee weken geleden raapte Ljoebov Kovaljova uit Vitebsk een brief van het Hooggerechtshof van Wit-Rusland uit haar postbus. Daarin stond dat haar zoon Vladislav „geëxecuteerd” was. „Een uittreksel van de registratie van zijn dood kunt u krijgen bij de burgerlijke stand van de Eerste Mei-wijk in Vitebsk”, vervolgde het schrijven van dit Wit-Russische beroepscollege.

De 26-jarige Vladislav Kovaljov en zijn oude jeugdvriend Dmitri Konovalov, beiden van jongsaf verzot op proefondervindelijke scheikunde, waren op 30 november ter dood veroordeeld wegens (medeplichtigheid aan) een bomaanslag op een metrostation in Minsk op 11 april 2011. Daarbij waren vijftien mensen gedood.

Konovalov bekende tijdens zijn verhoor. Maar Kovaljov trok zijn bekentenis dat hij van de plannen zou hebben geweten, later in. Hij verklaarde te zijn bezweken onder de druk van de politie.

Nieuwe beroepsprocedures en petities voor amnestie, onder meer van de Europese Unie, mochten vervolgens niet baten. Kort voor het briefje aan Ljoebov Kovaljova werden beide jongemannen met een nekschot gevonnist. In nog geen twaalf maanden hadden de autoriteiten van Wit-Rusland zo een terreurdaad opgelost, vervolgd, gevonnist en bestraft. Een soort snelrecht met de doodstraf als uitkomst. En dat in een land dat geografisch bijna in het middelpunt van het Europese continent ligt.

Omdat Wit-Rusland als enige staat geen lid is van de Raad van Europa – de organisatie waarin alleen landen worden toegelaten die ten minste de uitvoering van de doodstraf hebben afgeschaft – kan het zich veroorloven te horen bij de steeds kleinere groep landen die het doodvonnis kent.

Maar het blijft beschamend en wreed dat op de wereldkaart die Amnesty International deze week publiceerde in haar jaarlijkse executieverslag, Minsk in het hart rood oplicht. In het gezelschap van landen als China, waar de dodencel inmiddels een succesvol televisieformat is geworden, Iran, Irak, Saoedi-Arabië, Palestina en Amerika.

Er is geen reden voor groot alarm. Er zijn steeds meer landen waar de doodstraf is afgeschaft of opgeschort. Maar er is wel reden voor alertheid. In het Midden-Oosten nam het aantal doodstraffen met 50 procent toe. En wat er in China gebeurt, onttrekt zich ten dele aan de waarneming van Amnesty International.

Bovendien is de onoorbaarheid van de doodstraf geen wet van Meden en Perzen. Het rationele bezwaar dat deze ultieme sanctie nergens heeft geleid tot aantoonbaar minder misdrijven, is geen gemeengoed. Dat geldt ook voor het procedurele argument dat er fouten worden gemaakt, die door de dood onherstelbaar worden. Of voor de materiële tegenwerping dat het justitiële proces alleen maar duurder wordt. Om maar te zwijgen van al dan niet politiek gemotiveerd misbruik ervan, zoals wellicht in Wit-Rusland.

Het religieuze idee dat de mens niet hoogmoedig (hubris) op de stoel van God mag zitten door mensen tot de dood te veroordelen, wordt ook niet alom onderkend. Het is geen toeval dat de SGP in Nederland openlijk voor herinvoering van de doodstraf pleit.

Daarbij blijft het niet. De SGP vertolkt een gemoed dat breder leeft dan haar twee zetels in de Tweede Kamer doen vermoeden. Naar aanleiding van de strafzaak tegen Robert M. – die vervolgd wordt voor kindermisbruik waarvan je maag zich omkeert – zei entertainmenttycoon John de Mol op televisie: „De doodstraf zou op zich wel ingevoerd mogen worden voor dit soort mensen.”

Hij vertolkte daarmee een mening die met de regelmaat van de klok opduikt, vooral als de rechtsorde zo gruwelijk is geschokt dat elke vorm van rehabilitatie van de dader ondenkbaar en zinloos lijkt. Opiniepeilingen wijzen ook op draagvlak voor de doodstraf.

Toch is dat geen reden om er anders over te gaan denken en het verzet ertegen buiten Nederland op te geven. Hoezeer de ideeën over misdaad en straf ook met de tijd mee verandereren, nu eens gericht op wraak dan weer op resocialisatie, de doodstraf hoort in een geciviliseerde samenleving buiten de orde te zijn.