J.S. Bach, superster

Homerus, de New Look, het Bauhaus, de femme fatale, de polonaise. Europa is meer dan euroscepsis en Brusselfobie. In een serie over de cultuur die het continent bindt: J.S. Bach en zijn Matthäus Passion.

L'Hymne du matin chez Bach. Gravure de Biscombe-Gardner, d'après Rosenthal. HRL-500479 Roger-Viollet

‘Er moest een wereld bestaan hebben voor / de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur, / maar hoe zag die wereld eruit?’

Aldus de Zweedse dichter Lars Gustafsson in ‘De stilte van de wereld voor Bach’ (1982), een negentien regels tellende ode aan de componist die overal in Europa als een van de Grote Drie uit de muziekgeschiedenis wordt gezien. Gustafsson stelde zich er weinig van voor, van de tijd voordat Johann Sebastian Bach (1685-1750) op de wereld kwam – of liever, hij stelde zich er van alles bij voor: de instrumenten waren onwetend, zo zonder Musikalisches Opfer en Das wohltemperierte Klavier; en de kerken waren leeg doordat ‘de sopraanstem uit de Johannes Passion / zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde / rond de mildere windingen van de fluit’. Je hoorde alleen de bijlslagen van houthakkers, de zwaluwen in de zomerlucht, het geblaf van honden en het klauwen van schaatsen in de winter. ‘En nergens Bach, nergens Bach / schaatsstilte van de wereld voor Bach’ (vert. Bernlef).

Natuurlijk is het onzin; ook vóór 1700 was er mooie muziek te over, van de Gregoriaanse kerkgezangen tot de psalmen van Orlando di Lasso, en van de odes van Purcell tot de opera’s van Monteverdi. Maar het gedicht van Gustafsson is een mooie illustratie van de huizenhoge status waarmee Bach tegenwoordig bekleed is. Bewonderd door zijn collega’s en navolgers, onder wie Mozart en Chopin, staat hij bekend als de meester van het contrapunt en de barokke kerkmuziek, de man die de strenge Noord-Europese componeertraditie van groten als Pachelbel en Buxtehude wist te verbinden met de lichtere Zuid-Europese van Vivaldi en Corelli. Beethoven noemde hem de ‘oervader van de harmonie’, Mendelssohn-Bartholdy verafgoodde hem en droeg verder bij aan Bachs reputatie als superster door in 1829 voor het eerst sinds 1750 (en precies honderd jaar na de première in de Leipziger Thomaskirche) diens Matthäus Passion op te voeren. Het was het begin van een Paastraditie die vooral in Nederland, waar zelfs de kopstukken van de low culture zich aan de aria’s uit het oratorium wagen, niet meer weg te denken is.

Vanaf de negentiende eeuw kwamen er Bachverenigingen, Bachwetenschappers en vooral Bachbewerkingen, niet alleen door klassieke componisten maar ook door moderne musici als Wendy Carlos (Switched On Bach), John Bayless (Bach On Abbey Road) en Procol Harum (‘A Whiter Shade Of Pale’). Bachs muziek inspireerde onder meer Willem van Ekeren tot een plaat waarop hij de gedichten van Charles Bukowski combineerde met de fuga’s van Das wohltemperierte Klavier, Andrew Lloyd Webber tot de rockopera Jesus Christ Superstar en Jonathan Littell tot een holocaustroman waarin de hoofdstukken werden genoemd naar delen van een van Bachs partita’s. Op de ‘gouden plaat’ met representatieve aardse muziek die in 1977 werd meegegeven aan het onbemande ruimtevaartuig Voyager stonden maar liefst drie van Bachs composities, waaronder het tweede van de Brandenburgse concerten.

In zijn vijftigjarige carrière – als koorstudent in Lüneburg, hofmusicus in Weimar, organist in Mühlhausen, kapelmeester in Köthen en cantor in Leipzig – componeerde Bach meer dan duizend stukken: concerten en cantates, suites en sonates, missen en motetten, passies en preludes; de meeste ter meerdere eer en glorie van God, want de luthers opgevoede componist was een vroom man. Vele ervan benaderen een bijna hemelse perfectie, maar het is de Matthäus die daar nog boven uitsteekt. Het Paasoratorium op basis van de Bijbelteksten Mattheüs 26 en 27 werd geschreven voor twee koren (een nieuwigheid die Bach overnam uit de Venetiaanse opera) en telt 14 koralen, 27 recitatieven (waarin het evangelie wordt gezongen) en 27 andere stukken. Het getal 27 (3x3x3 en daarmee een symbool voor de goddelijke Drie-eenheid) is maar een van de vele rekenkundige ‘grapjes’ die Bach in zijn compositie stopte. Het gezongen evangelie bestaat uit 729 maten, het kwadraat van 27; de Christuspartij wordt begeleid door een basso continuo die 365 noten speelt, net zoveel als het aantal dagen van het jaar; de opening van de aria ‘Gebt mir meinen Jesum wieder’, nadat Judas zijn 30 zilverlingen bloedgeld heeft weggegooid, heeft 30 noten. Het is niet moeilijk te zien hoe Bach, naast een wiskundige en een wiskundige graficus, terechtkwam in de titel van de bèta-bestseller Gödel, Escher, Bach (1979) van Douglas Hofstadter.

Maar om de wiskundige vorm gaat het natuurlijk niet in de Matthäus. Voor veel mensen, ook ongelovigen, is Bachs passie het emotionerendste muziekstuk aller tijden. Het verhaal van het verraad en de marteldood van Jezus is natuurlijk al een van the greatest stories ever told, maar gekoppeld aan enkele van de mooiste melodieën en intelligentste harmonieën uit de geestelijke muziek, staat het garant voor circa drie uur ontroering. Van de aria ‘Buss und Reu’ tot de dubbelkoorzang ‘Sind Blitze, sind Donner’, en van het door de alt gezongen ‘Erbarme dich’ tot de koraal ‘O Haupt voll Blut und Wunden’, voel je je aanwezig bij elke beproeving die de beklagenswaardige Nazarener meemaakt. En alles leidt naar het verpletterende slotkoor ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’, dat zelfs klassieke-muziekhaters waarderen (al was het alleen maar omdat het gebruikt werd in de openingsscène van Martin Scorseses maffiafilm Casino). Als dan na de laatste noot een applaus uitblijft, zoals gebruikelijk bij sommige uitvoeringen, dan maak je als luisteraar iets unieks mee: de stilte van de wereld na Bach.

Pieter Steinz