Het leven, niet de dood is bedreigend

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over hun laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

“Dit is Beesie, m’n tamme rat. ’s Avonds om een uur of zeven laat ik ’m los. Dan gaat-ie spelen met de hond: op z’n rug zitten. Prachtig om te zien.”

„Net nu ik zo’n mooi leven heb, ga ik dood. Dat is zuur. Ik heb geen kleine kinderen meer om voor te zorgen, allebei zijn ze goed terechtgekomen, m’n leven is op orde, ik kan doen en laten wat ik wil – en nu is het bijna voorbij. Daar heb ik vreselijk om gejankt. Maar niet langer dan een uur. Toen zei ik: hup, we gaan weer genieten, lekker naar buiten met de hond, kletsen met de mensen, hier op het Amelandseplein.

„Ik zeg wel eens: ik heb geleefd voor twee, dus ik ben toch mooi honderd geworden. Maar ook heb ik altijd gezegd: ik word niet oud. Vanaf m’n vijftiende heb ik ruim twintig jaar samen geleefd met een man die 23 jaar ouder is dan ik. ‘Je wordt jong weduwe, met zo’n ouwe man’, kreeg ik wel ’s te horen. Dan zei ik: nee hoor, hij overleeft mij. Dat voelde ik. En zo gaat ’t gebeuren.

„De dood is altijd onderdeel van mijn leven geweest. Als klein kind al hoorde ik thuis de verhalen over dode mensen, daar werd uitgebreid over gepraat. Mijn vakantiebaantje als scholier was: lijken wassen in het mortuarium van het academisch ziekenhuis.

„Zo kwam ik vanzelf in die wereld terecht, waarin ik ook kennismaakte met begrafenisondernemers. Op m’n twintigste had ik voor ’t eerst de leiding bij een uitvaart. Een vrouw van een jaar of twintig was omgekomen bij een verkeersongeluk. De ouders vroegen: we willen een jonge vrouw die de begrafenis regelt. Zo ben ik erin gerold.

„Bij honderden begrafenissen en crematies ben ik betrokken geweest, als oproepkracht voor begrafenisondernemers. Vaak kreeg ik kinderbegrafenissen. Dat was heftig. Maar des te mooier is het wanneer je alles goed kunt laten verlopen, als nabestaanden helemaal de ruimte hebben voor rouwen en elkaar troosten.

„Eén keer heb ik als uitvaartleider zelf staan huilen op een begrafenis, bij een meisje van vier. Ze was dol op het Sprookjesbos van de Efteling. We hebben toen geregeld dat de Efteling decorstukken uitleende. Ze hebben ook acteurs gestuurd: sprookjesfiguren die het kistje droegen en er omheen liepen. Zó aangrijpend.

„Hier in Rotterdam heb ik vaak de begrafenis gedaan van mensen aan de onderkant van de samenleving. Heroïnehoertjes, zwervers. Wat je dan allemaal niet ziet en meemaakt! De verhalen over hun leven die bij hun begrafenis loskomen – dat is met geen pen te beschrijven. Zó triest. Bizarre dingen. Met iemand van de sociale dienst was ik ’s op zoek naar een erfgenaam van een dode zwerver, want ja: de rekening van de begrafenis moest ergens heen. Wat bleek? Die vent had twee miljoen op de bank staan!

„Voor mij is de dood niet bedreigend. De dood betekent voor mij: rust, geen pijn, geen angst. De dreiging zit in het leven. Dat kan ik gerust zeggen, want ik heb heel wat meegemaakt. Als puber heb ik op straat geleefd. Op m’n vijftiende ben ik ingetrokken bij de vader van mijn kinderen. Op m’n zeventiende kwam het eerste kind, op m’n negentienkreeg ik het tweede. De meiden waren zeer gewenst. Ik heb mezelf altijd een ongewenst kind gevoeld.

„Ik heb geknokt voor het leven van mijn jongste dochter. Toen ze zeventien was, bleek dat ze een hersentumor had. Ze was een jaar of zeven toen ik al voelde: er zit iets niet goed bij dat kind. Als ik dat dan zei, kreeg ik te horen: joh, d’r is niks met haar aan de hand, loop toch niet steeds met dat kind langs al die dokters te zeulen. Later bleek dat die hersentumor er heel lang had gezeten en langzaam was gegroeid.

„Op dit moment wordt er een film van mijn leven gemaakt. Het Museum Rotterdam laat dat doen. Mijn dochters krijgen de ruwe opnamen, acht uur film. Die film komt voort uit een gesprek dat ik vorige zomer heb gehad met een onderzoeker van het museum met wie ik aan de praat raakte op het Amelandseplein. Hij zei: jij hebt zo ongelofelijk veel meegemaakt hier op Zuid, dat gaan we vastleggen voor het nageslacht. Drie weken geleden hoorde ik dat ik uitbehandeld ben. En morgen komen ze de laatste opnamen voor die film maken. Het lijkt alsof het zo gepland is – maar het is puur toeval dat dit nu allemaal bij elkaar komt.

„Het meest bijzonder vind ik dat ze me ook hebben gevraagd interviews te gaan maken met mensen van de negen geloofsgemeenschappen in de buurt. Zelf ben ik totaal niet godsdienstig. Maar ik ben nieuwsgierig, ik ben een mensenmens. Eén gesprek hebben we al gehad: met Bosnische moslims. Binnenkort gaan we naar Jehova’s. Ik wil weten hoe die mensen denken en leven. Wanneer mensen elkaar beter leren kennen en meer begrip voor elkaar krijgen, gaat het met de wereld vanzelf een beetje de goeie kant op. Dat is de erfenis die ik wil nalaten.”

Tekst & foto’s

Reacties: laatstewoord@nrc.nlTwitter: #hetlaatstewoord