Ene helft van tweeling krijgt kanker, andere niet

De verborgen code, hoe wij ons DNA sturen. Peter Spork, Veen Magazines, 234 blz, €29,95

Hoe kan het dat bij de bekende parasolmieren uit Zuid-Amerika zes lichamelijk zeer verschillende verschijningsvormen bestaan, terwijl deze mieren genetisch allemaal vrijwel identiek zijn? Het lijken niet de genen die bepalen dat de een uitgroeit tot een soldaat van ruim anderhalve centimeter, terwijl een koloniegenoot met dezelfde genetische bagage uitgroeit tot een minituinierster, die driehonderd keer minder weegt en in de ondergrondse kamers van het mierennest de schimmeltuinen verzorgt.

Of zijn het toch wel de genen? Het is de regulatie van de genen, het aan- en uitschakelen van specifieke genen, die het verschil maakt. Dit is het wonderlijke terrein van de epigenetica. In de Nederlandse vertaling wordt het De verborgen code genoemd, in de oorspronkelijke Duitse tekst noemt Peter Spork het correcter ‘Der Zweite Code’. Verborgen is deze code immers niet meer, omdat biologen precies hebben achterhaald hoe deze werkt. Het is een code die de erfelijke code die vastligt in het DNA aanpast aan de omstandigheden. De epigenetica vormt de basis van het meercellige leven; dankzij deze tweede code bovenop die van het DNA kunnen bijvoorbeeld de cellen in ons lichaam zich specialiseren tot een zenuwcel of vetcel. Ieder celtype heeft zijn eigen epigenetische programmering.

Biologische onderzoek van de laatste jaren heeft steeds duidelijker aangetoond dat die epigenetische programmering reageert op omgevingsinvloeden. En dat gaat heel ver, denken onderzoekers. ‘Wat je vanmiddag gegeten hebt, heeft op een of andere manier de weg naar je genen gevonden’, zegt stamcelonderzoeker Rudolf Jaenisch van het Massachusetts Institute of Technology tegen Spork. Kortom, je bent wat je eet. ‘We weten op dit moment alleen nog niet hoe’, laat Jaenisch er wel op volgen.

Spork heeft een lange aanloop nodig om tot aansprekende voorbeelden te komen van het belang van epigenetica. Eerst schotelt hij de lezer een les in de moleculaire biologie voor. Dat is niet altijd even boeiend en in zijn poging deze taaie kost luchtig op te schrijven dreigt het af en toe potsierlijk te worden, bijvoorbeeld op het moment dat Spork zich in gedachten verkleint om de machinerie van het DNA in de celkern van dichtbij te gaan bekijken.

De omgeving heeft via de epigenetica zo’n grote invloed op onze genen, dat dit het verschil kan uitmaken tussen ziek en gezond, betoogt Spork. Het sterkste bewijs daarvoor komt van onderzoek onder eeneiige tweelingen in Spanje en Denemarken, wezenlijk klonen van elkaar. Niet een verschil in de genen, maar een verschil in de activiteit van de genen, bleek hierin te bepalen dat de ene helft werd getroffen door suikerziekte of borstkanker, terwijl de andere helft nog kerngezond was.

Leefstijl is dus bepalend voor een goede gezondheid, concludeert Spork. Regelmatig sporten, niet roken, weinig alcohol, goed slapen en vooral gezond eten zijn daarom heel belangrijk. Maar dan gaat Spork aan de haal met dit gegeven. Plotseling zegt hij dat groene thee, kurkuma en sojaproducten belangrijke ingrediënten zouden kunnen zijn van een ‘epigenetisch dieet’, dat een langere gezondheid zou moeten garanderen. Hij noemt het zelfs ‘een absolute insidertip op de hedendaagse epigenetische menukaart’. Maar al snel blijkt dat hij zich slechts baseert op celonderzoek en moet hij gas terugnemen. ‘Natuurlijk is het veel te vroeg om kurkuma of groene thee als natuurlijk geneesmiddel te rubriceren’, schrijft hij dan. ‘Bovendien is de werkzaamheid van deze stoffen bij mensen niet aangetoond – en zelfs als ze werken, dan vermoedelijk alleen in zeer hoge doses.’

Wie is er nu gek? Spork lijkt zelfs wel naïef wanneer hij de Amerikaanse bioloog Randy Jirtle van Duke University naar het concept van epigenetische voeding vraagt. ‘U bent een dromer’, antwoordt Jirtle, ‘Ik ben een pessimist.’

Sander Voormolen