Criminele jongens

Neurobiological stress parameters in relation to disruptive behavior. A longitudinal study in delinquent male adolescents Marjan de Vries-Bouw, 155 blz. Vrije Universiteit Amsterdam, 28 maart 2012. Promotores: Prof dr. Th.A.H. Doreleijers, Prof.dr. R.R.J.M.Vermeiren

Misdrijven worden vooral gepleegd door jonge mannen. Dat geldt voor diefstal, maar vooral ook voor agressie, vandalisme en geweld. In 2009 werd in Nederland een op de dertig jongens tussen 12 en 24 jaar, verdacht van het plegen van een misdrijf. Als we alle jongens die in 1999 twaalf jaar waren, volgen tot 2009, dan blijkt bijna een op de drie van hen in die tien jaar minstens één keer verdacht geweest te zijn van een misdrijf. Bij de autochtoon Nederlandse jongens gaat het om één op de vier, maar bij de Marokkaanse jongens om twee van de drie en bij Surinaamse jongens om een op de twee.

Marjan de Vries-Bouw doet in haar proefschrift onderzoek naar de relatie tussen neurobiologische stressparameters en wat zij noemt ‘disruptief gedrag’. Dat omvat het hele spectrum van ernstig geweld tot diefstal en bedreiging of agressie. Haar invalshoek is niet criminologisch, maar ontwikkelingspsychologisch en psychiatrisch.

Uit epidemiologisch onderzoek onder kinderen is al bekend dat vooral bij jongens het vertonen van meer dan gemiddeld agressief gedrag in de vroege jeugd een goede voorspeller is voor het optreden van leer- en gedragsstoornissen op de basisschool. In de adolescentie is er dan een vergrote kans op disruptief gedrag, dat in de vroege volwassenheid zowel tot crimineel gedrag als tot minder goede kansen op werk kan leiden. Uit de verschillen in crimineel gedrag tussen autochtonen en allochtonen zou je kunnen afleiden, dat sociale factoren een grote rol spelen in de kans op de ontwikkeling van dat gedrag.

Meer dan dertig jaar geleden wilde professor Wouter Buikhuisen onderzoek doen naar de biologische aspecten van crimineel gedrag, maar een heftig maatschappelijk debat maakte dat onmogelijk. De biologische bepalingen waren destijds overigens nog niet erg geavanceerd. Inmiddels kan er meer, maar Marjan de Vries rapporteert heel eerlijk dat er op sommige punten toch ook echt wat mis ging in het doen van de bepalingen. Bovendien – en dat is een heel belangrijk resultaat van haar onderzoek – blijken een aantal van de belangrijke parameters niet stabiel over de tijd te zijn. Tenslotte blijken de biologisch te bepalen verschillen tussen delinquent geworden jongens en niet-delinquente leeftijdsgenoten lang niet altijd groot of statistisch significant te zijn. Wat wel opvalt, is dat delinquente jongens gemiddeld wat minder intelligent zijn en opvallend veel vaker ook rokers blijken te zijn.

Is er nu een relatie tussen stress en de omgang met stress en de kans op het vertonen van disruptief gedrag? Is het nu mogelijk om die relatie neurobiologisch vast te stellen? Op de eerste vraag luidt het antwoord al heel lang bevestigend. Bekend en aantrekkelijk is de low arousal theorie, die juist mensen die met hun hartslag en hormonen (cortisol) niet erg sterk reageren op prikkels die anderen angstig, gespannen of agressief maken, geneigd zijn juist riskante situaties op te zoeken en voor anderen riskant gedrag te vertonen. Niet snel bang worden kan een sociaal voordeel zijn en tot heldhaftig gedrag leiden, maar het kan ook voor anderen en de persoon zelf gevaarlijk zijn.

Het is prettig dat de hartslag goed en gemakkelijk gemeten kan worden en dat cortisol in het speeksel voorkomt. Marjan de Vries moest toch al werken met een lastige groep proefpersonen (‘nee hoor, het was echt niet zo erg … om steeds weer voor niks een uur op station Duivendrecht te wachten’) en als dan de bepalingen ook nog moeilijk te doen zijn, wordt het wel heel lastig. Bovendien moesten de proefpersonen vijf jaar na de eerste meting opnieuw onderzocht worden. De uitval tussen de twee meetmomenten was behoorlijk groot, maar gelukkig toch niet zo groot dat het follow-up-onderzoek niet meer uitgevoerd zou kunnen worden.

Marjan de Vries laat er geen twijfel over bestaan. De waarde van de parameters die zij in haar onderzoek heeft gebruikt zijn ‘voor de klinische praktijk op dit moment beperkt’. Met andere woorden, op het niveau van het individu kun je er noch diagnostisch, noch prognostisch veel mee. In feite laat Marjan de Vries in haar onderzoek zien, dat het allemaal veel ingewikkelder ligt dan de theorieën zouden willen hebben. De low arousal theorie wordt wel bevestigd, maar is toch onvoldoende in staat disruptief gedrag te verklaren of te voorspellen. Andere biologische, maar ook psychologische en sociale factoren, met name ook psychotraumatische ervaringen in de jeugd, spelen op het niveau van het individu een belangrijke rol.

Dat doet niets af aan het belang en de kwaliteit van dit onderzoek, dat het inzicht in de complexiteit van de oorzaken van disruptief gedrag weer een stapje verder brengt. Het feit dat zoveel jonge mannen in de adolescentie disruptief gedrag blijken te vertonen, wordt door dit onderzoek impliciet bevestigd door de gemiddeld toch geringe verschillen in parameterwaarden tussen jongens die wel en die geen disruptief gedrag vertonen.