Brieven wetenschap

Eed

Bruikbaar uitgangspunt, die 10 geboden voor de onderzoeker van Six et al. in de brief ‘Eed’ (Wetenschapsbijlage 24 maart), maar wel erg gericht op klinische studies, waarin een precieze, “vooraf geformuleerde vraagstelling” essentieel is. In het lab zijn het vaak de toevallige waarnemingen, waar de echte ontdekkingen uit voortkomen. Juist het talent om een mislukte proef te onderscheiden van een belangrijke onverwachte vondst karakteriseert de goede onderzoeker. En de opdracht om je “te beperken tot je vakgebied” lijkt mij ook riskant, als dat al te nauw wordt geïnterpreteerd. Jonge onderzoekers hebben tegenwoordig de neiging om te blijven doen waar zij als promovendus/postdoc vertrouwd mee zijn geraakt. De mooiste wetenschappelijke bloemen groeien echter buiten de afgeperkte tuinen. Had ik mij bij mijn leest gehouden, zoals reviewers van mijn subsidie aanvragen altijd adviseerden, dan had ik weinig ontdekt.

Piet Borst

AMC, Amsterdam

Eed (

2)

De ondertekenaars van de brief over de eed zien twee dingen over het hoofd. Ten eerste: al sinds jaren wordt de jonge doctor bij de uitreiking van de bul gewezen op zijn ‘rechten en plichten jegens wetenschap en maatschappij’. Ten tweede: beloften geven heel weinig zekerheid. In 1964 hadden de studenten van de THT (nu UT) in Enschede schriftelijk beloofd niet te zullen frauderen bij tentamens. In de tentamenzaal werd niet meer gesurveilleerd. Het experiment heeft precies één tentamen geduurd.

Overigens zijn de ‘tien geboden’ lang niet voor iedere publicatie van toepassing. Niet alle publicaties bevatten ‘gegevens’, met name niet in de meer theoretische disciplines zoals wiskunde, econometrie of kwantummechanica.

F.W. Steutel

Eindhoven

Scoringsdrift

De universiteiten gaan maatregelen treffen tegen fraude in de wetenschap (‘Universiteiten treden op tegen fraude’, wetenschap, 20 maart). De maatregelen gaan voorbij aan de bedrijfscultuur die deze fraude heeft opgeroepen. De huidige bedrijfscultuur van de universiteiten lokt ernstige en minder ernstige vormen van academisch gesjoemel eenvoudig uit. De universiteiten zijn de laatste decennia in handen gevallen van managers. Uiteraard hebben zij zich allereerst voorzien van onbetamelijke salarissen en emolumenten. Vervolgens zijn ze een bedrijfscultuur gaan ontwikkelen die alles meetbaar moest maken. De ‘output’ moet gemeten kunnen worden; dus hebben we het over kwantiteit en niet over kwaliteit. Alleen artikelen gelden nog als ‘output’; wie een boek schrijft verdoet zijn kostbare onderzoekstijd. Omdat de meetbaarheid internationaal moet zijn, tellen alleen artikelen in het Engels. Dit zijn natuurlijk idiote criteria en een keur van gerenommeerde wetenschappers heeft er dan ook al tegen geprotesteerd; bijvoorbeeld in de Academische Boekengids 23 (oktober, 2000), 25 (februari, 2001) en 26 (april,2001). Wat moeten historici, neerlandici en planologen met deze criteria? Waarom zou een boek als Bloemgartens briljante biografie van Henri Polak geen wetenschappelijk werk zijn?

Hoe meer auteurs er bij een artikel (uiteraard in het Engels) vermeld worden hoe meer er gescoord wordt. Goed voor de betreffende wetenschappers en goed voor de betreffende universiteit. Ieder die geen vreemdeling in het Jeruzalem van de wetenschap is kan hiervan uit eigen ervaring voorbeelden geven. Tot wat voor een citatencircus dit leidt is in de wetenschapsbijlage van 17 maart aan de orde gekomen.

Maar om duidelijk te maken hoever de scoringsbacil het universitaire leven al verziekt heeft, zal ik nog één voorbeeld nader beschrijven. Het is sinds een aantal jaren mogelijk te promoveren op artikelen. De wijziging van het promotiereglement in deze zin was op zichzelf redelijk, zeker voor vakken op het terrein van de wis- en natuurkunde. Maar ook in andere vakgebieden is het in de mode gekomen en regelmatig verschijnen er dissertaties op basis van artikelen. Niet zelden is in het betreffende proefschrift niet één artikel door de promovendus alleen geschreven. Bij ieder artikel staan meerdere namen, soms zelfs een hele rits. En onder deze namen treft de lezer dan ook nog regelmatig die van de promotor en/of copromotor aan. Het is niet te verwonderen dat deze beoordeelaars hun eigen werk van uitstekende kwaliteit vinden. Dat is nog eens scoren! Eerst scoort men via de artikelen en dan levert men ook nog een jonge doctor af. Prima ook voor de universiteit natuurlijk, want het aantal voltooide proefschriften kan men weer vermelden in de algehele universiteitsscore. Zo wordt wetenschappelijk gesjoemel toegestaan en zelfs aangemoedigd.

Hans van Amersfoort

Emeritus hoogleraar culturele geografie en bevolkingsgeografie, Krommenie

DSM-

5

Deskundigen betrokken bij DSM5 hebben banden (‘ties’) met de farmaceutische industrie (‘Weg met de makers van de DSM-5!’, Wetenschapsbijlage 17 maart) Het globale researchbudget voor onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen van de farmaceutische industrie is jaarlijks ongeveer 60 miljard dollar. Het is overheidsbeleid (op nationaal en Europees niveau) dat dit onderzoek de vorm krijgt van public-private partnerships. Een voorbeeld is het Innovative Medicines Project van de Europese Unie, een belangrijk public-private partnership project met een budget van 2 miljard euro, met als partners de Europese Unie en de Pharmaceutical Industry Association EFPIA (http://www.imi.europa.eu/). In Nederland geldt een dergelijk initiatief, te weten het Topsectoren Beleid, een miljardeninvestering in samenwerking tussen bedrijfsleven (waaronder de farmaceutische industrie), wetenschap en overheid (http://www.top-sectoren.nl/). Deelname aan dit soort public-private partnerships geven ik en mijn collega’s op bij de DSM5 als disclosure van relaties met de industrie. Het regulerend kader voor deze en andere activiteiten in Nederland zijn de zogenaamde CGR-regels, waar industrie, universiteiten en gezondheidszorginstellingen zich aan houden. Hoewel alle honden dieren zijn, zijn niet alle dieren honden. De farmaceutische industrie kent excessen – echter niet alle samenwerking is een exces.

Jim van Os

Lid DSM5 werkgroep Psychotische Stoornissen, Maastricht

Waterstof

In het artikel ‘Mierenzuur in waterstoftank’ (Wetenschap, 19 maart) staat: “potentieel is waterstof een schone energiebron….” Waterstof is geen energiebron, maar een energiedrager. Net als elektriciteit en stoom kan waterstof geen bron zijn. Wat zijn bronnen? Steenkool, aardolie en-gas, kernenergie, waterkracht en nog wat kostbare exoten zoals zonne-energie, windenergie, golfenergie getijdenenergie etc. Een energiebron is iets waarin winbare energie van nature in ligt opgeslagen. Energiedragers maak je uit energiebronnen.

Jan Asselbergs

Via e-mail

Vogelgriep

In ‘Vogelgriep onder Limburgse kalkoenen’ (Wetenschap, 19 maart) wordt de vraag gesteld hoe de kalkoenen in Limburg besmet kunnen zijn geraakt met vogelgriep. De suggestie is dat dit is gebeurd door trekkende watervogels, hoewel de kalkoenen in schuren liepen en nooit buiten kwamen. Veel waarschijnlijker is dat de besmetting het gevolg was van transporten van besmette dieren. Iedere dag wordt er over de hele wereldbol met enorme aantallen pluimvee gesleept. De H7N7-uitbraak in 2004, bijvoorbeeld, was vrijwel zeker het gevolg van de import van kalkoenen uit Italië. De pluimvee-industrie legt liever geen nadruk op deze transporten. Deze denkt kennelijk dat het voor haar naam beter is als trekkende watervogels als oorzaak worden gezien.

Jeroen van Rooijen,

Gedragsbioloog, Wageningen

Gevlucht

In het aangrijpende artikel ‘Op het nippertje ontsnapt aan de dood in Irak’ over de bedreigde Irakese wetenschapper Salah Al-Zuhairy (Wetenschapsbijlage, 24 maart), is jammer genoeg onvermeld gebleven dat Al-Zuhairy niet als vluchteling naar Nederland is gekomen, maar als wetenschappelijk onderzoeker op uitnodiging van de TU Delft en de stichting voor vluchteling-studenten UAF. Dat gebeurde in het kader van het internationale programma Scholars at Risk, dat bedreigde wetenschappers een tijdelijke onderzoeksaanstelling biedt om de academische vrijheid en de rechten van wetenschappers wereldwijd te beschermen.

Berend Jonker

Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF