Bluesstadje voor blanken

Clarksdale in Mississippi is de hometown van de blues. Blanken ontfermen zich over het stadje. ‘Mensen willen dat alles blijft zoals het was.’

Franz Marc Frei / Look / HH

Voor de deur van Red’s Lounge ligt afgedankte troep: een wc-pot, een verroeste barbecue, kartonnen dozen en een berg hout. ‘No drugs’, staat er met zwarte stift op de afgebladderde houten pui geschreven. Bluesflarden waaien door de deur naar buiten. Wie niet weet dat hier een authentieke bluesbar zit, zou hier zo voorbij lopen.

Clarksdale, Mississippi, is een stadje als een kristalsteen: de buitenkant is grauw en onopvallend, binnenin zit een verborgen schat. Als je maar weet waar je moet zoeken. Clarksdale ligt in het hart van de Mississippi Delta. Op de vele katoenvelden in dit vruchtbare stroomgebied van de Mississippi rivier tussen New Orleans en Memphis vermengden werkliederen en gospels van de zwarte slaven zich vanaf halverwege de negentiende eeuw tot de blues. Blueszanger Muddy Waters bracht zijn jeugd door op de Stovall Plantation, acht mijl buiten Clarksdale. Ook John Lee Hooker, Sam Cooke, Ike Turner en Big Jack Johnson werden in of nabij het stadje geboren. Maar Clarksdale dankt zijn positie als hometown van de blues vooral aan zijn strategische ligging. Talloze muzikanten die vanuit het zuiden naar Memphis, Chicago of New York trokken, passeerden het kruispunt van de highways 49 en 61, net buiten de stad.

Op een driehoekig perkje naast de kruising staat tussen een kluitje bomen een metalen paal met rondom drie blauwe gitaren. Eronder in zwierige letters: The Crossroads. Dit zou het kruispunt zijn waarover blueslegende Robert Johnson begin jaren dertig in ‘Cross Road Blues’ zingt: in het nummer verkoopt een man zijn ziel aan de duivel om goed gitaar te kunnen spelen.

„Of dit het echte kruispunt is?”, vraagt de eigenaar van Abe’s BBQ, een restaurant dat direct aan het kruispunt lig. „Ik móet natuurlijk wel zeggen dat dat zo is”, zegt hij in een zangerig accent. Hij is de kleinzoon van de Libanese immigrant Abraham Davis die hier in 1924 het restaurant begon. De inrichting lijkt sinds de jaren vijftig niet meer veranderd. „Ik heb het mijn grootvader nooit kunnen vragen”, gaat hij verder. „Hij overleed toen ik zes was. Hij had zijn ziel aan Jezus verkocht, dus dat is wel een mooie tegenstelling.”

Tot diep in de jaren zestig gold in het zuiden de strikte rassenscheiding van de Jim Crow-wetten. Zwarte muzikanten sliepen bij Momma Hill in The Riverside Hotel aan Sunflower Avenue, een paar honderd meter van Red’s Lounge. Het pand oogt gesloten. Het naambord dat ooit de gevel sierde is scheef voor het raam getimmerd. Binnen zit de 72-jarige eigenaar Frank ‘Rat’ Ratliff, zoon van Momma Hill, in het halfdonker met een sigaret op de bank. „It’s all good. You home now”, verzekert hij zijn gasten.

In de jaren veertig en vijftig was het hotel de vaste verblijfplaats van Muddy Waters, Sonny Boy Williamson, Ike Turner, John Lee Hooker, Robert Nighthawk en vele anderen. „Ik heb ze allemaal gezien”, vertelt Rat. „Als ze hadden opgetreden in de buurt, kwamen ze mijn broer en mij vaak wakker maken, om met ons te spelen. Ze waren haast als vaders voor me.” De muren hangen vol foto’s van de nu wereldberoemde zangers. Maar verder is de inrichting nog bijna precies hetzelfde als in de jaren veertig. „Alleen de matrassen en de lakens zijn nieuw. En ik verf af en toe de muren”, zegt Rat. „Als ik de meubels vervang, kan ik net zo goed sluiten. Mensen willen dat alles zo blijft als het toen was.” Zijn gasten zijn vrijwel zonder uitzondering blank.

Luxe appartementen

En het zijn ook vooral blanken die het bluesstadje nieuw leven willen inblazen. Tien jaar geleden opende weliswaar Hollywood-acteur Morgan Freeman, die is geboren in de Delta, de bluesclub Ground Zero, maar verder zijn het blanken die het bluesverleden van Clarksdale omarmen. Een van hen is bluesfanaticus Roger Stolle, eigenaar van blueswinkel Cat Head aan Delta Avenue. Tien jaar geleden gaf hij zijn marketingcarrière er aan en verhuisde naar het centrum van Clarksdale, waar op dat moment bijna alles leegstond. „Ik wil mensen hier naartoe trekken om naar de blues te komen luisteren en de muzikanten te ontmoeten, nu het nog kan”, vertelt hij vanachter de toonbank in zijn winkel. „De muzikanten die nog echt zijn opgegroeid op de plantages zijn nu rond de tachtig jaar oud. We’re losing the legends!” Vorig jaar alleen al overleden Big Jack Johnson, David ‘Honeyboy’ Edwards, Willie ‘Big Eyes’ Smith, Pinetop Perkins en Mississippi Marvel.

Volgens de Nederlandse Theo Dasbach vinden blanken het „gewoon leuker” om zich op het behoud van de blues te storten. Hij streek in 2006 neer in Clarksdale met zijn Rock & Blues Museum, een voortzetting van zijn vroegere Rock ’n Roll museum in het Friese Arum. Voor vijf dollar geeft hij een rondleiding langs zijn verzameling bluesmemorabilia. „We vragen aan muzikanten uit de regio om ons een souvenir te geven. Van James ‘T-Model’ Ford hebben we bijvoorbeeld een whiskyfles gekregen met zijn handtekening erop”, glundert hij. „Er zit zelfs nog een beetje whisky in.”

Kinchen O’Keefe, alias Bubba, zit in een nis van zijn pas geopende café Yazoo Pass. De geboren Clarksdaler is bouwondernemer en heeft de afgelopen jaren meerdere panden in het centrum opgeknapt. In de loftachtige ruimtes boven zijn nieuwe café verhuurt bij luxe appartementen. Als de recente sterftegolf van bluesmuzikanten ter sprake komt, moet hij een paar keer slikken. „Het maakt maar weer eens duidelijk hoe belangrijk elke dag is. Je neemt de tijd om degene die er nog is te leren kennen. Pinetop Perkins is er nu ook niet meer, maar er ging niets boven een hamburgertje eten met hem. Deze mannen worden pas legendes als ze sterven.”

Voedselbonnen

Bluesfanaat Stolle begrijpt wel waarom de bluesexploitatie vooral een zaak van blanken is. „Ik kom uit Dayton Ohio, waar de luchtvaartpioniers Orville en Wilbur Wright vandaan komen. Als we met school voor de zoveelste keer naar het museum gingen, dachten we: niet weer. Zo is het voor de mensen hier ook. Ze zijn opgegroeid met de blues. Voor hen is het niet zo bijzonder.” Wat ongetwijfeld ook meespeelt is dat de Mississippi Delta de armste regio is van de armste staat in de Verenigde Staten. Bijna twintig procent van de bevolking leeft op voedselbonnen. De bevolking heeft wel iets anders aan het hoofd dan het beheren van de blueserfenis.

Daarbij komt dat blues en religie nog altijd niet samengaan in deze zwaargelovige regio. Stolle vertelt over de vorige maand overleden Mississippi Marvel. „Hij was een diaken in de kerk. De man was dol op blues èn op zijn kerkelijke familie. Die zou hij zeker verliezen als ze hem ooit de blues zouden zien spelen. Hij heeft met onze hulp uiteindelijk wel een plaat opgenomen, maar op de hoes stond een onherkenbare foto. Optreden heeft hij slechts één keer gedaan, als promotie voor zijn cd, in een tent die van achteren werd uitgelicht, zodat niemand hem zou herkennen.”