Afrika heeft de witterik niet meer nodig

Vader en zoon, samen goed voor meer dan een halve eeuw ontwikkelingshulp. Terwijl het kabinet spreekt over een megabezuiniging op ontwikkelingssamenwerking en voormalig CDA-ministers daarover de noodklok luidden, komen zij tot de slotsom dat zij niets aan de nieuwe welvaart van Afrika hebben bijgedragen. „We moeten af van de roeping andere landen tot ontwikkeling te brengen. Dat moeten ze zelf doen.”

Kees Zevenbergen in Ménaka, Mali, 1999. Foto Jaap de Ruig

Gepassioneerde ontwikkelingswerkers. Zo noemen ze zichzelf. Vader en zoon Zevenbergen. De 78-jarige Willem. De 51-jarige Kees. Allebei zagen ze ontwikkelingswerk van verschillende kanten: als veldwerker, als directeur, als adviseur. Samen omspannen ze ruim een halve eeuw Nederlandse ontwikkelingshulp.

Wat waren de missers? Wat de successen? Heeft ontwikkelingssamenwerking nog recht van bestaan? Daarover praten zij, vader en zoon, in een dorp in de Achterhoek. Met een uitzicht dat vader Willem nog elke dag aan Afrika doet denken. Ze zijn het roerend eens: „De traditionele rol van de blanke ontwikkelingswerker is uitgespeeld.”

Vader: „Ik was 22 jaar toen ik in 1957 als bestuursambtenaar naar Nieuw-Guinea vertrok, destijds een Nederlandse kolonie. Ik vertegenwoordigde het gezag. Ik sprak recht in strafzaken, zelfs in civiele kwesties. Zoals wanneer een vrouw op overspeligheid werd betrapt.

„Ik pionierde met ontwikkelingswerk, liet visvijvers aanleggen, gaf opdracht tot klapperaanplant. Ik begon met de bouw van een school in het verre binnenland. Op een avond werd ik uitgenodigd door het hoofd van het dorp waar de school zou komen. Hij had problemen met die school. Er zou een onderwijzer komen van de zending. Die zou vertellen over Jezus. Als de kinderen zouden sterven, zouden ze in de hemel komen, niet op dezelfde plaats als hun ouders. Daarom wilde hij geen school.

„Zo leerde ik een belangrijke les. Wil je wat bereiken, ga dan niet je eigen eigenwijze gang maar overleg met de bewoners. Laat hen prioriteiten en planning bepalen. Betrek hen bij de uitvoering. Neem de tijd. In ontwikkelingssamenwerking heeft die aanpak nooit de overhand gekregen. Er waren altijd mensen hier die dachten beter te weten wat goed was voor de mensen daar. Dat is een belangrijke reden waarom zoveel projecten zijn mislukt.”

Zoon: „Stoere Friese boerenzonen die goede werken verrichtten in de rimboe. Dat waren de helden van mijn jeugd. De hele week werkten ze in de bush. In het weekend kwamen ze zich bij ons in de stad ontspannen. Ze reden in een Landrover. Dat wilde ik later ook. Het was in de jaren zestig. Mijn vader was velddirecteur in Zambia en Kenia voor de SNV, de Stichting Nederlandse Vrijwilligers.

„Toen ik twintig jaar later als ontwikkelingswerker terugkwam in Afrika, waren mijn helden er niet meer. Ze hadden plaatsgemaakt voor landbouwkundigen en ingenieurs. Aan middelbaar opgeleide westerlingen die hun handen uit de mouwen staken, hadden Afrikanen geen behoefte meer. Dat konden ze zelf.

„Vanaf de jaren tachtig steeg de gemiddelde leeftijd van ontwikkelingswerkers. Ze kregen lokale collega’s. Ze spraken met boerenorganisaties en lokale bestuurders, zelden nog met afzonderlijke boeren. Dat deden hun lokale collega’s. Tegenwoordig is tachtig procent van het personeel van SNV afkomstig uit ontwikkelingslanden. Lokale deskundigen die samenwerken met internationale expats. Aziaten in Zuid-Amerika. Ghanezen in Ethiopië. Als er in ontwikkelingslanden zelf zoveel deskundigen beschikbaar zijn, wat is dan nog het bestaansrecht van een Nederlandse organisatie die technische ondersteuning biedt? De tijd is rijp dat zij het zonder ons doen.”

„Al zijn er situaties waarin de aanwezigheid van een witterik nog nuttig kan zijn. Omdat hij neutraal is, van ver komt, zogenaamd niks weet. Hij kan lastige vragen stellen met zijn onschuldige, blauwe ogen.”

Vader: „Tijdens mijn laatste project, van 1996 tot 2000, was ik adviseur van een door Nederland gefinancierd ruraal ontwikkelingsprogramma in het zuidwesten van Ethiopië. In Bonga. De Ethiopische directeur had het voor het zeggen. Maar ik kon lastige vragen stellen aan zijn bazen, die hij zich niet kon permitteren. Met mij waren ze voorzichtig. Ze wisten: anders kan de financiering zomaar stoppen.”

Zoon: „Zo werkt het niet meer. De positie van westerse donoren in ontwikkelingslanden wordt steeds marginaler. We kunnen niet meer met een zekere morele superioriteit onze waarden en wensen opleggen, rammelend met een zak geld. Wie zijn wij dat wij bepalen wat er wel en niet met onze euro gebeurt? Stel je voor dat buitenlanders hier aan de knoppen komen draaien.

„Ontwikkelingslanden zijn niet meer afhankelijk van het Westen. China en Brazilië komen op. Er is zoveel nieuw geld. Alleen al de gigantische bedragen die migranten overmaken naar thuis. Vorige week was ik in het noorden van Oeganda. Iedereen wist daar van de financiële crisis in Europa. Dat we niet eens in staat zijn een probleem als Griekenland op te lossen. We hoeven hen niet de les te komen lezen.”

Opeens was ik

the bad guy

Zoon:„Een paar jaar geleden riepen Tanzaniaanse jongeren mij ter verantwoording. Het was in de tijd dat Bert Koenders van de PvdA minister van Ontwikkelingssamenwerking was. Als onafhankelijk adviseur had ik van zijn ministerie opdracht uit te zoeken hoe we konden bewerkstelligen dat de regering aan de eigen bevolking verantwoording zou afleggen voor de besteding van de Nederlandse ontwikkelingshulp. De Tanzaniaanse regering legde wel verantwoording af aan Nederland, niet aan het eigen volk. Werd het geld wel goed besteed?

„Al gauw werd mij duidelijk dat het idee dat de Tanzaniaanse regering in eigen land verantwoording moest afleggen voor de besteding van hulpgelden uit het buitenland, in Tanzania helemaal niet leefde. Typisch zo’n idealistische Nederlandse droom.

„Ik legde de kwestie voor op een bijeenkomst van mondige, hoog opgeleide jongeren. ‘Mijn minister vindt dat Tanzanianen zelf moeten beoordelen of hun regering het Nederlands ontwikkelingsgeld verstandig uitgeeft. Zou dat een rol voor jullie kunnen zijn?’

„Ik heb nog nooit zoveel kritiek over me heen gekregen. ‘Stop liever onmiddellijk met jullie grote geldstroom naar onze overheid. Jullie en die andere westerse landen. Jullie zijn onderdeel van het probleem, meneer Kees. Als jullie stoppen, is onze regering genoodzaakt ontwikkelingsacties van ons belastinggeld te financieren. Pas dan kunnen we de regering ter verantwoording roepen.

„Ik dacht altijd dat ik tot het goede kamp behoorde. Opeens was ik the bad guy. De gedachte drong zich op: misschien moeten we ontwikkelingssamenwerking radicaal hervormen. Die gedachte leeft inmiddels breed binnen het ontwikkelingswerk. De twijfel over de zin van conventionele ontwikkelingshulp komt nauwelijks naar buiten. Uit angst olie op het vuur te gooien van de PVV die de ontwikkelingshulp wil afschaffen. De openlijke kritische zelfreflectie stagneert in afwachting van verdere bezuinigingen.

„Er staan grote institutionele belangen op het spel. Van het ministerie. Van ontwikkelingsorganisaties. Van partnerorganisaties in ontwikkelingslanden. Alleen in Nederland al 3.000 tot 5.000 banen.”

Wij zagen het als roeping

Vader: „De Verenigde Staten waren na de Tweede Wereldoorlog de eersten die ontwikkelingshulp gaven. Voor de wederopbouw van Europa. Dat was het Marshallplan. In 1949 gaf Nederland anderhalf miljoen gulden aan de Verenigde Naties. Dat geldt als begin van de Nederlandse ontwikkelingshulp.

„Nederlandse hulp kwam voort uit het zendings- en missiewerk. Goed doen voor arme, zieke, zielige zwarten. Maar dan zonder zieltjes te winnen. Wij zagen het als een soort van roeping. Mensen helpen die het zoveel slechter hadden dan wij.

„Ook eigenbelang speelde van meet af aan een rol. Via ontwikkelingswerk hield Nederland invloed in ex-kolonie Indonesië. Via ontwikkelingswerk verkocht de onderneming DAF Trucks haar vrachtwagens in Afrika. Hoe zwaar het Nederlands belang woog, hing sterk af van de politieke signatuur van de minister.

„VVD-minister Eegje Schoo gaf mij in 1982 opdracht argumenten te bedenken voor de levering van drie Nederlandse trawlers voor India. Ik was directeur Kwaliteitsbewaking op het ministerie. De conclusie van een onderzoek: vooral niet doen. Eén trawler maakt 10.000 plaatselijke vissers werkloos. Drie trawlers leiden tot overbevissing.

„De minister stond onder grote druk van haar partij om de noodlijdende Nederlandse scheepbouw te helpen. Dat zei ze. Mijn reactie: ‘U bent verantwoordelijk voor armoedebestrijding.’ Toen vroeg ze me een plan te maken om 30.000 brodeloze vissers weer aan het werk te helpen. Ik ben opgestapt.

„Twee maanden geleden was ik voor het eerst sinds jaren weer in Nairobi. Ik keek mijn ogen uit. Overal shopping malls. Superdure winkelpaleizen. Massa’s goed geklede, goed doorvoede Afrikanen. Vertegenwoordigers van de nieuwe middenklasse. Ik vroeg me af: waar halen ze het geld vandaan? En ook: wat heb ik aan die welvaart bijgedragen met mijn werk? Mijn antwoord: niets.

„Mijn werk richtte zich altijd op kleine mensen in marginale gebieden. Op minimaliseren van honger en andere kommer en kwel. Met hart en ziel. Iemand moet dat doen.”

Zoon: „Maar wiens verantwoordelijkheid is dat? Van de Nederlandse belastingbetaler? Of van die winkelende massa in de shopping malls?”

Vader: „Het is ook onze verantwoordelijkheid.”

Zoon: „Zo hebben jullie me opgevoed. Maar ik weet het niet meer zo zeker. We zijn maar een klein land. Onze vier miljard euro aan ontwikkelingshulp is kruimelwerk. We kunnen onmogelijk de last van alle armen dragen.”

Vader: „We hoeven het niet alleen te doen. Er zijn meer rijke landen. En nu natuurlijk ook die middenklasse van welgestelde Afrikanen.”

Zoon: „We moeten alleen helpen als we het verschil kunnen maken, als onze steun wordt gevraagd. Zoals wanneer de rust moet worden hersteld na een binnenlandse strijd.”

Soms ben je gezegend

Zoon: „Zoals in het noorden van Mali halverwege de jaren negentig na een opstand van de Toeareg. Bij een ceremoniële wapenverbranding in Timboektoe vroeg de president buitenlandse hulp bij het bestendigen van de vrede. Ik ben nog steeds trots op het programma dat ik daar in Méneka in de woestijn vijf jaar lang hebben mogen leiden.

„We hielpen de lokale gemeenteraden met het bouwen van veemarkten en met het heffen van belasting op verkoop van vee. De opbrengst werd voor gezondheidszorg gebruikt. Jongens die eerst met een kalasjnikov rondliepen, inden belasting op de markt.

„Soms ben je gezegend. We hadden geluk met de militaire bevelvoerder, een gematigde zwarte Malinees. We hadden goede mensen: Nederlanders en Malinezen. Het succes van een project staat of valt met een handjevol goede mensen. We hebben een substantiële bijdrage geleverd aan de stabiliteit in de streek.

„Wrang dat de strijd weer is opgelaaid in het noorden van Mali onder invloed van de Amerikaanse war on terror. Dat Méneka na jaren van rust en ontwikkeling terug naar de steentijd is gebombardeerd. Dat is het drama van ons soort werk.”

Zelfredzaamheid gesmoord

Vader: „Toen mijn vrouw en ik in 1999 uit Ethiopië vertrokken, begon het project al af te brokkelen. Terwijl we in vier jaar tijd 114 deelprojecten waren begonnen. De aanplant van een miljoen ziektebestendige koffiezaailingen als inkomstenbron voor kleine boeren. Een simpele operatieruimte waar vrouwen met een keizersnee konden bevallen. Schoon drinkwater. De aanleg van een brug. Een veilig onderkomen voor schoolgaande tienermeisjes.

„Met de vervolgevaluatie van het project begon meteen de neergang. De evaluatiecommissie bestond onder meer uit een vrouwendeskundige. Het Nederlands beleid van vrouwenemancipatie vereiste dat.

„Er moesten drie van die opvangcentra voor schoolmeisjes komen, vond de commissie. Daar had niemand in Ethiopië om gevraagd. En die centra zouden volledig door Nederland worden bekostigd. Terwijl de plaatselijke bevolking zelf gezorgd had voor het eerste centrum, met niet meer dan een kleine Nederlandse bijdrage. Zo wordt zelfredzaamheid gesmoord. Zo wordt een succesvol lokaal project kapot gemaakt.”

Zoon: „Het ontwikkelingsapparaat kan niet overweg met mondige mensen die het heft in eigen hand nemen. Wij weten hoe het moet, dat is de houding. Een diepe, hardnekkige systeemfout.

„Ontwikkelingssamenwerking heeft haar ambities de afgelopen vijftig jaar niet ten volle waargemaakt. Veel geld is slecht besteed. Op twijfelachtige gronden. Zomaar weggegeven. Klassieke ontwikkelingssamenwerking is niet meer van deze tijd.”

Vader: „De wereld is totaal veranderd. Ik ben geschiedenis. Ik heb in de geest van mijn tijd gehandeld. Daar sta ik nog altijd achter. Maar ik zie ook dat het nu anders moet.”

Zoon: „De ontwikkelingssector verkeert in verwarring. Haar oude rol is achterhaald. Een nieuwe heeft ze nog niet gevonden. Misschien dragen extra overheidsbezuinigingen ertoe bij om zich op nieuwe leest te schoeien.

„Ik zie geen reden waarom Nederland zou vasthouden aan het dogma dat 0,7 procent van het bruto binnenlands product moet worden besteed aan ontwikkelingshulp. Dat is een internationale afspraak waar niemand zich aan houdt. Behalve een handvol Noord-Europese landen.

„We moeten af van de roeping andere landen tot ontwikkeling te brengen. Dat moeten ze zelf doen. Dat is hun verantwoordelijkheid.

„Maar dat is geen reden ons achter de dijken te verschansen. Waarom richten we ons niet veel meer op wereldvraagstukken, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid twee jaar geleden al bepleitte. Klimaat. Milieu. Uitputting van de aarde. Internationale samenwerking op voet van gelijkheid. Met gedeelde belangen.

„Als mensen elders in de wereld lijden door onze manier van produceren en consumeren, dan zij wij verantwoordelijk. Als de bescherming van de Europese landbouw de Afrikaanse export belemmert. Als het weghalen van verpleegkundigen uit Bangalore voor Nederlandse ziekenhuizen de Indiase gezondheidszorg ondermijnt. Als wij goedkoop sportschoenen kunnen kopen omdat Aziatische werknemers massaal uitgebuit worden. Een kwestie van goed wereldburgerschap. Ontwikkelingswerk begint hier in Nederland.

„We hoeven mensen in ontwikkelingslanden niet te helpen, behalve in noodsituaties natuurlijk. Maar we mogen ze niet schaden. Elke euro die de Nederlandse overheid daaraan bijdraagt, is welbesteed. Als je in wereldburgerschap wilt investeren, heb je veel meer nodig dan 0,7 procent van het bruto binnenlands product.

„Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zijn verstatelijkt. Het leeuwendeel van hun middelen komt van de overheid. De meeste organisaties hebben nauwelijks meer een achterban.

„Laat ze zich weer relevant maken voor de burgers. Laat de overheidsbijdrage aan hun begrotingen gerust dalen tot onder de 50 procent. Maar dan moet de overheid stoppen met monitoringprotocollen, vijfjarenplannen en verplichte verantwoording tot in detail. Laat de organisaties weer een onafhankelijke burgerbeweging vormen. Terug naar de basis. Voor een betere wereld.”

Vader: „Dat klinkt mij als muziek in de oren.”