Zwaar thema, snel spel

De ziekte die jeugd heet. Regie: Casper Vandeputte. Gezien 28/3. Inl. toneelschuur.nl.

Als tekstbewerker en regisseur voelt Casper Vandeputte (1985) goed aan wat leeft onder de jeugd. Hij maakte bij Oostpool de prachtige, hoopvolle Salinger-bewerking Till the fat lady sings en regisseerde zelf vorig jaar een prangende Polaroids van Mark Ravenhill. Met De ziekte die jeugd heet (1926) van Ferdinand Bruckner borduurt hij voort op dezelfde thematiek: is er nog een toekomst als illusies en kinderdromen hebben afgedaan? En hoe ziet die toekomst er dan uit?

De studenten in Krankheit der Jugend twijfelen daar hevig aan. Aan de vooravond van hun volwassen leven verliezen ze zich in drank en seks. Gravin Desiree (Judith Noyons) is in haar jeugd te zeer beschadigd om zich een toekomst voor te stellen. Zij zoekt kortetermijntroost in seks, en als dat effect is uitgewerkt wil ze enkel dood. Er zijn maar twee uitwegen uit de ellende van jong zijn, zegt zij: volwassen worden of doodgaan.

De stijve Marie (Alejandra Theus) heeft geprobeerd de pijn te ontlopen door te doen of ze al volwassen was. Maar die sluiproute loopt dood. Voor de verliefde Teddy (Teun Luijkx) en Irene (Gonca Karasu) is er hoop: zij aanvaarden de pijn en zitten die uit. Misschien dat zij niet al te beschadigd de volwassenheid bereiken.

Vandeputte heeft het Weense drama naar het nu gehaald, maar is daarin niet helemaal consequent. De jongeren zeggen ‘hou je bek’, en ‘rot op’, maar Vandeputte handhaafde archaïsche termen en details. Dat schept verwarring, en houdt de inhoud op afstand. Met snel en fysiek spel weet hij de zware thematiek sprankelend te houden, maar dit gaat soms ten koste van het drama.

Noyons weet knap slapstick en tragedie te verenigen. Maar sommige andere acteurs blijven een karikatuur, waardoor de tragiek verdampt. Dat kan ook hebben gelegen aan de zaal woensdag, waarin dertig middelbare scholieren luidkeels deden alsof ze zich volstrekt niet aangesproken voelden door de thematiek.