Willem Wilmink

Plotseling stond deze week de dichter-liedjesschrijver Willem Wilmink (1936 – 2003) weer in de belangstelling. Dat kan nooit kwaad, en zeker niet in een tijd vol politieke onvrede en de daarbij behorende dubieuze messiassen.

Advocaat Bram Moszkowicz, te gast bij Pauw & Witteman, bleek in een boek over zijn werk als advocaat het gedicht van Wilmink over de joodse illusionist Ben Ali Libi (pseudoniem voor Michel Velleman), vermoord in Sobibor, te hebben opgenomen. Joost Prinsen las het in een oude filmopname voor, snikkend bij het slot van dit aangrijpende gedicht:

En altijd als ik een schreeuwer zie/ met een alternatief voor de democratie,/ denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar/ voor Ben Ali Libi, de goochelaar?

Op Wilmink, opgegroeid in de Javastraat in Enschede, heeft de Tweede Wereldoorlog als kind een onuitwisbare indruk gemaakt. In een ander filmfragment legt Joost Prinsen uit dat Wilminks oorlogservaringen als kind in schuilkelders traumatiserend zijn geweest. „Het meest typerend aan hem was die oorlog, het voor alles bang zijn.”

De slotstrofe van zijn gedicht Oorlog luidt dan ook:

Je maakte een voetbal of ook wel een bom/ van proppen papier, elastiekje erom./ Het leven ging meestal gewoon maar zijn gang./ Soms was je toch bang. Soms ben ik nog bang.

Na de uitzending van Pauw & Witteman heb ik Wilminks Verzamelde liedjes en gedichten weer eens uit de kast gepakt. Het is een uitgave uit 1987, door Wilmink zelf samengesteld. Het gedicht over Ben Ali Libi publiceerde hij pas later in de bundel Je moet je op het ergste voorbereiden. In mijn editie staan wel andere ijzersterke gedichten over de oorlog, zoals het korte gedicht Grebbeberg.

In een van die huizen, op veertien, of acht,/ in zo’n erker, dreigend naar voren,/ zat ergens de man van de Grebbeberg./ Had ogen en armen verloren./ Eens met een zuster, liep hij bij ons langs,/ hij knikte. Door ramen en muren/ kon hij merken dat er een angstig kind/ maar niet ophield hem te begluren.

Het gedicht Mijn vriendje David gaat niet expliciet over de oorlog, het is een gedicht over de teloorgang van vriendschap, of zoals hij in een interview met Johan Diepstraten en Sjoerd Kuyper zei: „Dat houdt me inderdaad heel erg bezig, dat vriendschap niet het eeuwige leven heeft.”

Zijn vriendje David ziet hij na een vakantie nooit meer terug. Soms is hij bang dat hij hem later weer zal ontmoeten: En we hebben niet door/ dat wij die twee vrienden waren. In het interview vertelt Wilmink over de kinderen die bij boeren ondergedoken zaten en die je later nooit meer terugzag. „En dan, op een bepaald moment schiet zo’n gezicht je weer te binnen.”

Zijn indrukwekkendste oorlogsgedicht is voor mij Als het net even anders was gegaan. Het is een lang gedicht, te lang om hier te citeren, maar zijn bedoeling wordt al duidelijk genoeg in de eerste strofe:

Als Hitler toch de oorlog had gewonnen,/ wat weinig had gescheeld met die V2,/ hadden we dan nog levensmiddelenbonnen/ of viel de toestand achteraf best mee?/ We kwamen zonder een niet-joodverklaring/ weer op normale wijze aan de poen/ en er was geen verzekerde bewaring/ voor de zigeuners, die geen mens iets doen:/ er zou geen jood en geen zigeuner meer bestaan/als het net even anders was gegaan.

Hij eindigt het gedicht met de regels:

Zou iets van het goede, schone, ware nog bestaan/ als het net even anders was gegaan?