Wat wilde Rushdie met zijn debuut? Nogal veel

Grimus, het debuut van Salman Rusdie, is voor het eerst verschenen in een Nederlandse vertaling. Wat moeten we aan met dit overambitieuze boek? ‘Vergilius Jones, een man zonder vrienden en met een tong die iets te groot was voor zijn mond, daalde op dinsdagochtend graag het klifpad af.’ Met deze mooie zin begon in 1975

Grimus, het debuut van Salman Rusdie, is voor het eerst verschenen in een Nederlandse vertaling. Wat moeten we aan met dit overambitieuze boek?

‘Vergilius Jones, een man zonder vrienden en met een tong die iets te groot was voor zijn mond, daalde op dinsdagochtend graag het klifpad af.’ Met deze mooie zin begon in 1975 het schrijverschap van Salman Rushdie. Het is dan ook zo’n beetje de enige zin die te pruimen is in zijn debuutroman Grimus. Desalniettemin vond de Nederlandse uitgever het bijna veertig jaar later kennelijk tijd voor een vertaling. De kiem voor de latere romans zou hier volgens het bijgeleverde persbericht in te vinden zijn.

Het is een vergezochte argumentatie, maar er is natuurlijk ook wel wat voor te zeggen om een soort oerboek van een schrijver als Rushdie alsnog uit te geven.

Wat had Rushdie voor ogen toen hij deze roman schreef? Kennelijk nogal veel. Grimus is namelijk een overambitieus boek waarin het de bedoeling is dat de lezer gaat nadenken over wat er gebeurt wanneer een samenleving afgesloten raakt van de rest van de wereld.

Machtsmisbruik en ronddraaien in een cirkel zijn dan kennelijk het gevolg. Het blijkt ook nog eens een wereld te zijn waarin de mensen lelijk zijn, zoals Vergilius Jones die zo vet is dat hij tijdens het bedrijven van de liefde de vrouw – die, toegegeven, wel erg mager is en bovendien gebocheld – in kwestie bijna verstikt in zijn vet.

Maar dat terzijde, net als deze Vergilius. Het verhaal gaat namelijk om de zoektocht van de indiaan Wiekende Arend. Deze jongeman, wél aantrekkelijk, drinkt van een elixer waardoor hij onsterfelijk is. Maar liefst 777 jaar, 7 maanden en 7 dagen dobbert hij de wereld af met een boot die kennelijk gedoopt is met hetzelfde elixer, want van enige schade of slijtage aan het vaartuig is nergens sprake.

Deze Wiekende Arend gaat op zoek naar zijn onsterfelijke zuster en vooral naar de mogelijkheid om zelf ouder te worden. Hij komt na die 777 etc. jaar terecht in een gat in de Middellandse Zee waardoor hij op een eiland belandt waar mensen wonen die kunnen kiezen voor het al dan niet onsterfelijk zijn. Dit eiland, in feite een berg, wordt bestuurd door Grimus, een kwade halfgod, met zijn Stenen Roos.

Om maar meteen te zeggen hoe het afloopt: zoals te verwachten moet Wiekende Arend die berg beklimmen, initiaties ondergaan waarbij hij allemaal sciencefiction- achtige dimensies door moet en komt hij in aanraking met wezens die zijn bewustzijn proberen te beheersen. In dit geheel wordt de hoofdpersoon, net als in Dante Alighieri’s De goddelijke komedie, begeleid door Vergilius.

Allemaal gedoe natuurlijk, gevechten en pogingen tot moordpartijen – een enigszins merkwaardige onderneming op het eiland van vooral onsterfelijken – maar uiteindelijk overwint de Wiekende Arend. Het eiland dat ooit in nevelen was gehuld, wordt helder.

De thematiek van Rushdie is in dit boek in latente vorm al aanwezig. Critici, die indertijd al niet erg enthousiast waren over deze roman, zagen er het gevecht in tussen de hindoes (Wiekende Arend) en de moslims (Grimus).

Anderen benadrukten de verwarring van een postkoloniale wereld die erin verwerkt was. En uiteraard werden de verwijzingen naar de mythologie door de ambitieuze romanschrijver alom opgemerkt. En het zit er ook allemaal in, bij voorkeur met naam en toenaam genoemd, net als de magisch realistische trucjes die Rushdies handelsmerk zouden worden.

Maar dat maakt Grimus met terugwerkende kracht niet beter verteerbaar. Dit is Rushdie op zijn slechtst.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Vrijdag 23 maart 2012, pagina 12 - 13