Verhoeven vangt de angst in verf

Helen Verhoeven: ‘Event Two, detail 3 (The Volcano Scene)’ 2008 Beeld Schunck

Helen Verhoeven, Part Pretty. T/m 29/4 in Schunck, Heerlen. Inl.: schunck.nl

Het is een lief schilderijtje van een lief huisje – twee verdiepingen, puntdak, mooie volle bomen eromheen. En toch is er iets mis. Het zijn niet eens zozeer de witgeklede personages in de tuin, psychiatrische patiënten wellicht, van wie er eentje wegrent.

Nee, het is het licht dat ’t hem doet op dit werkje van Helen Verhoeven uit 2003. Een brandende zon trekt zulke genadeloze schaduwen dat dit een vijandige plek wordt. Daarom mag dit relatief vroege schilderijtje meedoen met Verhoevens tentoonstelling van recenter werk, waar de zomerzon heeft plaatsgemaakt voor avondlichten en kroonluchters, maar de wereld onverminderd vijandig is gebleven.

In haar halfabstracte stijl verwijst Verhoeven geregeld naar klassieke scènes. Een meisje dat wegrent in een hete zon, dat is De Chirico. Haar drukbevolkte balzalen, dat zijn de hofschilderijen van Velázquez. Hoeveel ze van kunstgeschiedenis houdt blijkt vooral uit tientallen portretjes van oude meesters en hedendaagse beroemdheden.

In het Schunck bedekken de koppen een wand van boven tot onder. De verf is precies raak: Kirchner, Picasso, Bardot geeft ze treffend weer – ondanks haar schijnbaar onbeholpen stijl kan Verhoeven stiekem best goed schilderen. Uit elk gezicht spreekt iets anders: obsessie, contemplatie, schoonheid, en boven alles geldingsdrang, de behoefte om op te vallen en de massa te ontstijgen.

Dat verlangen om op te vallen delen deze beroemdheden met de personages uit Verhoevens feestzalen. Zonderlinge figuren worden er passanten in elkaars leven. Zwart, blank, gekleed, naakt, sommigen meer lijf, of juist enkel een hoofd op een tafeltje duiken ze op uit schaduwen. Daar worden mensen monsters en vervloeit de werkelijkheid via verf in dromen – of eigenlijk nachtmerries. Gastvrouwen met avondjurken en rode lippenstift veranderen met net wat andere verfvegen in zombies, alsof op hun diner dansant iets gruwelijks op het menu staat. Nergens, op geen enkel werk hebben de aanwezigen contact, hooguit seksueel, maar ook dan heb je de indruk dat ze zich niet aan elkaar hebben voorgesteld.

Zo is het overal. In haar beschilderde sculpturen overwoekeren figuren elkaar als tumoren. Op haar schilderijen dansen figuren met puntmutsen tussen poppen zonder ledematen – denk je. Verhoevens schetsmatige wereld is moeilijk te duiden. Zelf kan ze dat ook niet, vertelt Verhoeven in de catalogus. Daarmee sluit ze aan op schilders als Richter, Dumas, Tuymans, die ook geabstraheerde scènes neerzetten waarvan de betekenis vaag blijft.

Maar waar Tuymans zijn kunst zo groots acht dat het elk begrip overstijgt, stelt Verhoeven zich bescheidener op; ze weet het ook niet. Ze schildert iets van zichzelf, en welk mens begrijpt werkelijk zichzelf? Haar levensgeschiedenis speelt in elk geval een rol. Voordat ze kunstenaar werd, werkte ze in een abortuskliniek waar ze als taak had weefsel te analyseren: de stukjes nakijken om te zien of de abortus compleet was. Ook was ze vrijwilliger op een eerste hulp, tussen dood en drama, en dat alles na een puberteit met drugtrips en angsten.

Haar kunstopleiding genoot ze in San Francisco waar schilderkunst veel minder de norm was dan ‘suïcidale en genitaal-centrische performancekunst’. Toch hield ze vol en ging ze schilderen, haar angsten ‘vangend’ in verf.

Dat zou, met haar hang naar de kunstgeschiedenis, kunnen lijden tot een zwelgen. Maar dat gebeurt niet. Haar verf is te droog, haar figuren te stram. Ze zijn enkel buitenkant, zonder individualiteit. Gezien en gewild worden, daar draait het om, totdat deze personages doorkrijgen dat ze met het etaleren van die buitenkant hun binnenkant verliezen en wegzinken in de grijze verfmassa van Verhoevens palet.