Onderzoek naar de rol van het Rode Kruis in WO II

Het Nederlandse Rode Kruis laat een onafhankelijk onderzoek verrichten naar zijn rol in de Tweede Wereldoorlog. Dat heeft directeur Cees Breederveld gisteren bekendgemaakt. Hij wil het onderzoek laten doen door het NIOD.

In het Nieuw Israëlitisch Weekblad zegt Breederveld dat het Rode Kruis tijdens de oorlog „op een afschuwelijke wijze afbreuk heeft gedaan aan [zijn] grondbeginselen”. Hij wil nog geen excuses aanbieden, zonder dat hij ervoor heeft gezorgd „dat zoiets niet nog een keer plaatsvindt”. Daarom wil hij eerst de geschiedenis van het Rode Kruis in de oorlog laten onderzoeken en daaruit lering trekken.

Over het optreden van het Nederlandse Rode Kruis tijdens de Tweede Wereldoorlog is al het nodige bekend. Loe de Jong besteedde er meerde hoofdstukken aan in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Hij concludeerde dat het Rode Kruis zich meegaand had getoond tegenover de bezetter. Zo stuurde de organisatie een ambulance naar het Oostfront nadat Duitsland in 1941 de Sovjet-Unie had aangevallen. De Duitsers sloegen hier munt uit in hun propaganda.

Van medewerking aan het verzet wilde de leiding van het Rode Kruis niets weten, zelfs niet nadat de enige zoon van directeur-generaal H. Offenhaus vanwege verzetsactiviteiten werd geëxecuteerd. Offenhaus wilde niets meer met de Duitsers te maken hebben, maar wenste verder wel ‘correct’ op te treden. Om de Duitsers niet te provoceren stuurde het Rode Kruis nauwelijks voedselpakketten naar Nederlanders die in concentratiekampen gevangen zaten. Vooral op dit aspect van haar handelen kreeg de organisatie veel kritiek.

Meteen na de bezetting werd er een commissie ingesteld, de zogenoemde Pakkettencommissie, die het optreden van het Rode Kruis tegenover concentratiekampgevangenen moest onderzoeken. Voorzitter was sociaal-democratisch politicus en verzetsman Koos Vorrink, die in kamp Sachsenhausen had gezeten.

De kritiek van de Nederlandse gevangenen was niet mals. Nico Rost, die opgesloten zat in Dachau, noteerde in zijn dagboek: „Eén zaak staat nu reeds vast: er stierven en sterven thans dagelijks in Dachau Nederlanders van honger en ondervoeding die waarschijnlijk niet gestorven waren, wanneer we geregeld Rode-Kruispakketten hadden ontvangen.”

Naar aanleiding van dit soort getuigenissen, concludeerde Vorrink dat er duizenden Nederlanders in kampen zijn gestorven door de grove nalatigheid van het Rode Kruis. Loe de Jong meende dertig jaar later dat het niet om duizenden, maar honderden slachtoffers ging. Maar hij beaamde dat het Rode Kruis blijk had gegeven van „een tekort aan initiatief, durf en fantasie en een teveel aan formalisme en bureaucratie”.