NAVO onder vuur om dood vluchtelingen

Een vluchtelingenboot die tijdens de Libië-oorlog in nood raakte, werd aan zijn lot overgelaten door de NAVO, vissersboten en kustwacht van naburige landen.

Nalatigheid van de NAVO, Italië en Malta heeft volgens de Raad van Europa geleid tot de dood van 63 Afrikanen, die vorig jaar in een rubberboot de oorlog in Libië probeerden te ontvluchten. Ook de Verenigde Naties dragen volgens de raad een deel van de verantwoordelijkheid voor het drama.

In totaal 72 vluchtelingen – vijftig mannen, twintig vrouwen en twee baby’s – probeerden een week nadat de westerse bombardementen op Libië waren begonnen, in het overvolle bootje het Italiaanse eilandje Lampedusa te bereiken. Maar de brandstof raakte op toen ze naar schatting halverwege waren.

Twee weken dobberden ze op de Middellandse Zee, zonder dat gereageerd werd op noodoproepen, terwijl de NAVO destijds schepen in de buurt had om toe te zien op het wapenembargo tegen Libië. Vissers op een aantal boten zouden de vluchtelingen hebben gezien, maar zijn doorgevaren. Twee helikopters zouden over het bootje zijn gevlogen – een ervan zou water en koekjes hebben afgeworpen – maar niets hebben ondernomen om de Afrikanen te redden of hulp te halen. Slechts negen opvarenden overleefden de tocht, die eindigde toen de boot weer op een Libisch strand aanspoelde.

Naar aanleiding van nieuwsberichten over de kwestie besloot de Raad van Europa (een samenwerkingsverband van 47 landen dat ijvert voor mensenrechten en democratie) vorig jaar tot een onderzoek. Gisteren verscheen na negen maanden het resultaat in een gedetailleerd rapport. Rapporteur Tineke Strik (tevens lid van de Eerste Kamer voor GroenLinks) schrijft daarin dat sprake was van een ‘catalogus van missers’ en ‘collectief falen’ van alle hoofdrolspelers.

In een huiveringwekkend verslag, onder meer gebaseerd op gesprekken met overlevenden, beschrijft ze de fatale tocht van de vluchtelingen uit Ethiopië, Nigeria, Eritrea, Ghana en Soedan. Omdat de Libische leider gebruik maakte van zwarte Afrikaanse huurlingen, moesten álle zwarte Afrikanen destijds vrezen door de wraak van de opstandelingen.

Strik beschrijft hoe Libische soldaten hielpen bij het vertrek van de boot, hoe mensensmokkelaars zo veel mogelijk vluchtelingen in de boot propten; hoe op zee mensen zeeziek werden, gingen hallucineren, in paniek raakten; hoe met een satelliettelefoon gebeld werd met een Italiaanse priester, die zorgde dat de Italiaanse autoriteiten een noodoproep lieten uitgaan; hoe dat alles niets opleverde en de opvarenden één voor één begonnen te sterven.

„Schepen onder nationaal of NAVO-commando hebben hun plicht verzuimd om een schip in nood te hulp te komen”, schrijft Strik. Ook verwijt ze het bondgenootschap en individuele landen dat ze onvoldoende voorbereidingen hebben getroffen voor dit soort noodsituaties, die bij de planning van de oorlog te voorzien waren. De Verenigde Naties verwijt ze in de resoluties over Libië nauwelijks aandacht besteed te hebben aan de mogelijkheid dat het conflict tot stromen vluchtelingen kon leiden.

In een reactie verwerpt de NAVO dat ze verantwoordelijk is voor „dit bijzonder tragische incident”. Het bondgenootschap wijst erop dat het een algemene melding van de Italiaanse autoriteiten over een bootje in nood heeft doorgegeven aan alle NAVO-schepen. „We hebben geen bewijs dat enig vliegtuig of schip van de NAVO contact heeft gehad met deze boot”, aldus de NAVO-woordvoerder. Ze wees erop dat schepen en vliegtuigen van het bondgenootschap tijdens de Libië-oorlog direct geholpen hadden bij de redding op zee van meer dan 600 mensen en de redding van veel meer vluchtelingen hadden gecoördineerd.