Na het lijden – een lief lied van lente en liefde

Met zijn nieuwe poëzie wekt Pieter Boskma verwondering en opluchting. Gorter is er weer, God is een vrouw geworden, de dichter heeft zijn antennes uit de dood getrokken.

Pieter Boskma: Mensenhand. Prometheus, 132 blz. €19,95

Hoe zou de lyriek van Herman Gorter (1864-1927) er anno 2012 hebben uitgezien als hij nu nog dichten kon? In Mensenhand doet Pieter Boskma een stoutmoedige gooi naar het antwoord. In zijn eerdere werk toonde hij zich al bij herhaling schatplichtig aan de meester van de sensitieve poëzie. In zijn vorige bundel, het magistrale Doodsbloei, verwijst hij, wanneer na de verstrooiing van zijn geliefde een herbegin van leven naakt, onmiskenbaar naar Gorters Mei. ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’ , stelt hij dan, ‘al kende ik ieder lied inmiddels wel.’ De relativerende bijzin verwoordt het afscheid van rouw, en tegelijkertijd distantie van Gorter.

Het afscheid was van korte duur, blijkt nu. In Mensenhand mengt Boskma de ideeënwereld en het idioom van Gorter met moderne understatements als ‘best wel’ en ‘petje af’. En als hij God aan de laaglandse wiet brengt en dan ‘zo stoned als een aap’ beschrijft, legt hij hem junktaal in de mond:

‘daar zwieren negen negers

aan lianen van engelenhaar,

je weet niet wat het betekent

maar kek ziet het er zeker uit,

dat goudenharige zwetendzwarte.

En krijg nou het heen en weer:

wat laait die zon daar arielekst

op en neer in dampend riet,

man, waar is mijn zonnebril.’

Daar is weinig Gorter meer in herkenbaar. Het lijkt alsof Boskma hier en elders in zijn nieuwe bundel van het anker raakt en lustig aan het schmieren slaat. Maar dat is te kort door de bocht gedacht.

Mensenhand is een serieuze bundel. In bijna driehonderd pagina’s heeft de dichter in Doodsbloei het afscheid van zijn geliefde een plaats in de poëzie gegeven, en nu moet hij verder. ‘Tabula rasa’ graag, dus met schone lei. De leegte van het weduwnaarschap biedt volop plaats aan compromissen en surrogaten, maar daarvoor kiest Boskma niet in Mensenhand. Hij moet zichzelf herscheppen, herademen en zich met zijn nieuwe situatie verzoenen. Daarvoor kiest hij een mythisch concept, dat in de titelcyclus van de bundel in twee delen, ‘Godesban’ en ‘Mensenhand’, wordt uitgewerkt.

De Schepping blijkt reddeloos wanneer een gemuteerd virus ontsnapt uit een scheur van het betonkorset rondom een ontplofte reactor. Al wat bloed en adem heeft sterft binnen vierentwintig uur aan long- en kieuwenvuur. Schuilen is onmogelijk, want ‘Zelfs in de diepste bunker / drong het virus door de muren / daar het immers gemuteerd was / en nu dwars door de structuren / van de moleculen dringen kon, / met beton en roestvrij staal / dus weinig moeite had zodat / ook president en generaal, / verborgen achter dikke wanden, / toch nog sneller dan verwacht / hun longen voelden branden / in hun zelfgebouwde graf.’

Deze verklarende regels volgen na de eerste zeven pagina’s, die op archaïsche toon de leegte schetsen die in de bijbelse Openbaringen 21:1 is aangekondigd. Nieuw is, dat Boskma het woord dat vanouds van God was, een vrouwelijke stem geeft. Daarvoor kiest hij Hera, die eerder optrad in De aardse komedie (2002). Hera blikt in de totale leegte en realiseert zich dat de Herschepping haar taak is. Er is zee en er is land, maar leven is er niet.

De flora wordt dan even vergeten, want die overleefde de catastrofe en heeft woekerend bezit genomen van de aarde. Ook de wiet dus, waaraan God zich overgeeft nu zijn schepping aan zichzelf ten onder is gegaan. Hera staat er dus alleen voor, maar het lukt haar wonderwel. Ontstaat de Schepping in de Bijbel uit Gods woord, bij Hera doen de gedachten het werk.

Niet alles van de oude schepping blijkt spoorloos. Op de eerste dag van haar godentaak krijgt Hera het visioen van een boomlange, fors geschapen geliefde. Hij roept herinneringen in haar wakker, maar ze twijfelt want ‘Alles wat je hebben wilde was je alweer kwijt voor je het goed en wel in handen had….’

Voor je begint te kussen

rotten lippen van de mond

en de curven die je streelt

liggen als botjes in het rond…

En toch, dacht Hera, en toch,

kijk hoe zij, nu zij hem zag,

plots in kwatrijnen dacht,

iets wat zij nooit vermocht…

In het tweede deel van de titelcyclus ontmoet Hera een heuse ober op een terras aan zee. Ze kijkt hem in de ogen ‘en ze wist natuurlijk best wie hij was, / wat had ze vaak aan hem gedacht, / haar hele, lange, vorige / aardse komedie lang’. Ze denkt even na en noemt hem dan Boske. En daarmee zijn de poëzie en de dichter in het verhaal gebracht.

We zijn nu op een derde van de bundel. In de volgende afdelingen, ‘De herademing’, ‘Opgewekt huiverend’ en ‘De grote verzoening’, verruilt Boskma mettertijd de mythe voor zijn eigen werkelijkheid. ‘Zo,’ dicht hij, ‘begint mijn tweede tijd en bloedt / het lichaam zelfverzekerd open / dat zich pas nog vastbesloten / terugtrok zonder hoop en moed.’ En dan besluit hij voor de lente en de liefde te kiezen: jij en ik, en verder niets. ‘Mocht men willen neuken, dan is dat aan te raden’, wordt het adagium, en ‘mocht men willen sterven, doe dat nog niet vandaag’. Ook in het vervolg van de bundel wisselt Boskma herhaaldelijk van register. Het derde segment van ‘De herademing’ zet zwaar in. ‘Lentelied’ heet dit segment. Het is nu eens berustend, dan weer hilarisch opgewekt, en al dan niet terloops relativerend.

Waarom zou een dichter nog zingen, vraagt Boskma, ‘als hij / de wereld heeft herschapen, en zelfs het / hiernamaals opnieuw heeft ingedeeld? / Welk lied rest hem dan? Als hij van God / tot politiek zijn zegje heeft gedaan? / Als hij de zogenaamd oneindige natuur, / en de dito variaties in de weersgesteldheid, / wel zo’n beetje in kaart heeft gebracht? / Precies, een lief lied van lente en liefde!’

Dat werkt bevrijdend. Even duikt Gorter weer reddend op in regels ‘waarin iemand deze woorden, / ergens in een oud stadje / aan een watergracht, / zachtjes neuriet / en in een open raam / een meisje blozend op doet kijken.’ En dan, in de cyclus ‘Opgewekt huiverend’, hervindt de dichter zichzelf als hij schrijft:

Inmiddels ruik ik wat men kookt op zeven kilometer.

Geen vogeltje vliegt op zonder dat ik het aanschouw.

Ik sta weer op scherp, leg mijn maskers af en trek

mijn antennes uit de dood. En herinner mij dat al.

Het zouden mooie slotregels zijn geweest, maar de dichter weet niet van ophouden. Een gekscherende echo klinkt nog op de laatste bladzijde van Mensenhand. Een mier stapt daarin de regels binnen om mee te delen: ‘heden heeft de dichter Pieter Boskma / zich verzoend met alle levende / en ook alle dode dingen, / met de fopneus en de klapsigaar, / de kolder en de horeca, de euforie, / de hernia, roept u maar, roep het / bij zijn allerdiepste naam.’

Verwondering, ergernis, ongeloof en opluchting bespringen de lezer. Geen groter nar dan Pieter Boskma. En wat een dichter!