Klein Nederlandse zege met Duitse middelen

Nederlanders gaan anders met gezag om dan Duitsers, dat is al eeuwen bekend. De staat en vooral het staatsgezag stellen bij onze oosterburen nog iets voor. In het dagelijks leven kun je dat goed zien aan zoiets basaals als de verkeersregels. Hoe anarchistisch Berlijners ook kunnen zijn, de meesten zullen een rood stoplicht altijd respecteren. Niet alleen als automobilist – dan zeker – maar ook als voetganger en fietser. Duitsers stoppen voor rood omdat het de overheid is die dat lampje laat branden. Voor Nederlanders lijkt dat juist een reden om over te steken. De mensen die hier door rood lopen, zijn meestal toeristen en niet zelden Nederlanders.

Dit soort overtredingen kan Duitsers tot razernij brengen. In mijn Berlijnse woonstraat geldt eenrichtingsverkeer. Als Nederlandse fietser negeer ik dat soms. Dat is verkeerd. Ik doe het tegen beter weten in en heb me vaak voorgenomen om het na te laten. Maar ja, ook de kwalijke kanten van het Nederlanderschap laten zich niet zomaar uitroeien. En zo kon het gebeuren dat ik voor de derde maal tijdens mijn verblijf hier door dezelfde buurtgenoot op mijn wangedrag werd aangesproken. Halverwege de straat reed hij me met z’n Mercedes klem. Raampje open. „Wilt u dood? U rijdt tegen het verkeer in, en dat gebeurt nu al voor de zoveelste keer. Ich zeige Sie an!” Mijn gekrenkte rechtvaardigheidsgevoel speelde op. Wie beging hier nu de ergere overtreding – hij toch zeker met zijn gevaarlijke klemrijden?

Naar intimiderende Duitse gewoonte om meteen het hogere gezag erbij te halen – „ik geef u aan” – riep ik met overslaande stem dat ik de politie zou bellen omdat ik met doodslag werd bedreigd. Verbluft heek hij me aan, deed z’n raampje dicht en reed gauw verder. Dat was een Nederlandse triomf, behaald met Duitse middelen. Maar hij smaakte bitter. De man had gelijk. Wat me stoorde, was zijn gedrag als hulpagent.

Iets onschuldiger maar minstens zo veelzeggend was het briefje dat ik op mijn zadel geplakt vond toen ik m’n fiets had vastgezet aan een boompje naast het Berliner Ensemble, een theater in het centrum van Berlijn. „Waarom ketent u uw fiets aan dit levende wezen, terwijl er fietsklemmen verderop zijn?” Afzender was een zekere Monika. Als Nederlander denk je: waar bemoei je je mee? Maar voor Monika moet haar hartenkreet vanzelfsprekend zijn geweest. Had ik als fietser een nummerbord gehad, dan zou ze me misschien hebben aangegeven.

Wellicht speelt bij de Duitse gezagsgetrouwheid mee dat het gezag zelf zijn rol nog serieus neemt. Om bij het verkeer te blijven: vorige week fietste ik in mijn eigen buurt, op de hoek van de Pariser en Württembergische Strasse, in een politiefuik. Zes agenten die zich op strategische plekken hadden opgesteld, hielden fietsers aan voor controle van de rijwielen. In Nederland ben ik, zo lang ik fiets, nog nooit overdag aangehouden voor inspectie van mijn bel, terugtraprem en verplichte handrem aan het stuur, framenummer en verlichting. Ik had even de neiging om hard door te rijden, maar omdat andere fietsers zich gedisciplineerd lieten controleren, onderdrukte ik die opstandige reflex.

Mijn fiets was in orde. Maar ik moest ook nog m’n Ausweis laten zien. „Uw identiteitskaart is haast verlopen. Daar kunt u problemen mee krijgen”, zei een agent streng. Ik loog dat een nieuwe was aangevraagd. Hij noteerde het kaartnummer, wierp nog een blik op mijn Gazelle en wuifde me weg. Ik voelde me betrapt en opeens heel klein. Iedere rebellie was verdwenen.