Is het tijd voor afscheid van de ziel?

Vanavond begint de Maand van de Filosofie. Dit jaar staat april in het teken van de ziel. Wat verstaan filosofen van nu onder de ziel, hoe ziet hun zoektocht eruit en hoe persoonlijk is die?

Bert Keizer: Waar blijft de ziel? Stichting Maand van de Filosofie, 148 blz. €4,95

Stine Jensen: Dag vriend! Intiem kapitaal in tijden van Facebook. Lemniscaat, 175 blz. €12,50

Stine Jensen: Dus ik ben weer. De Bezige Bij. 192 blz. €16,90

Coen Simon: Wachten op geluk. Een filosofie van het verlangen. Ambo, 168 blz. €18,95

Kies ‘de ziel’ als thema van de Maand van de Filosofie, en je kunt er zeker van zijn dat de tegenwoordig zo populaire hersenwetenschap ervan langs zal krijgen. Nee, wij zijn niet ons brein, roepen de filosofen in koor tegen wetenschappers als Dick Swaab en Victor Lamme. Begrijpelijk, want als Swaab en Lamme gelijk zouden hebben, dan kan de filosofie haar deuren wel sluiten. Wat zouden we ons nog druk maken over logica, moraal of kennisleer, als ons denken toch neerkomt op een chemisch proces in de hersenen? Een proces waarop we geen enkele invloed kunnen uitoefenen, aangezien de hersenwetenschap ook de vrije wil afschaft.

Tegen dit reductionisme moet de filosofie wel protest aantekenen, of zij verkoopt haar eigen ziel. Maar waaruit bestaat die ziel dan? Dat is bijna even lastig vast te stellen als wat de betekenis is van de ‘ziel’ die de filosofie tegen de hersenwetenschap in stelling brengt. In zijn speciaal voor deze Maand van de Filosofie geschreven essay Waar blijft de ziel? doet Bert Keizer niettemin een poging die laatste ziel nader te bepalen.

In feite gaat het om het aloude geest-lichaam probleem, legt Keizer uit, die zich verzet tegen de door hem als ‘neurosofie’ aangeduide hersenwetenschap. Hoewel de ziel niet meer te beschouwen is als een aparte geestelijke substantie, laat haar bestaan zich niet zo makkelijk ontkennen. Een moment lijkt Keizer de oplossing te hebben gevonden bij de Amerikaanse filosoof Alva Noë, die de ziel of geest voorstelt als een actief samenspel tussen hersenen, lichaam en wereld. Wat alleen ontbreekt aan dit drietal is de ‘beleving’, en dus verschaft ook Noë niet het verlossende woord. Na 140 pagina’s moet Keizer concluderen dat hij er niet uitkomt.

Wittgenstein-fan Keizer bestrijdt weliswaar het reductionisme van Swaab cum suis, maar op zijn manier schaft ook hij de filosofie af. Hij stelt dat ons brein niet geschikt is voor vragen als ‘Wat betekent de menselijke aanwezigheid op aarde?’ In drieduizend jaar is er nooit een bevredigend antwoord op gekomen, getuige de ‘basale verbijstering’ waarmee we nog altijd naar onszelf kijken, aldus Keizer.

Wat hebben de filosofen al die tijd dan zitten doen, vraag ik mij af. Van Plato tot Hegel en van Aristoteles tot Nietzsche – hebben ze enkel zinloos geklets voortgebracht? Zo zullen we ook de ziel van de filosofie niet gauw betrappen. Want moet je die ziel niet juist zoeken in de worsteling met dit soort sublieme vragen? Waarbij het vragen van veel groter belang is dan de gegeven antwoorden. Maar houdt iemand zich daar nog wel mee bezig?

Aan de universiteiten schurkt de filosofie tegen de exacte en de sociale wetenschappen aan of becommentarieert de denkers van weleer, en slechts een enkeling waagt zich op het pad van de ‘echte filosofie’. Daarbuiten, waar de filosofie een onwaarschijnlijke populariteit heeft weten te verwerven, neemt zij vooral de vorm aan van cultuurkritiek en levenskunst.

Neem twee betrekkelijk jonge filosofen als Stine Jensen (1971) en Coen Simon (1972), die dezer dagen met nieuwe boeken zijn gekomen. De grote vraag wat onze aanwezigheid op aarde te betekenen heeft, laten zij links liggen, om zich des te gretiger te storten op datgene wat we op aarde uitspoken en wat er daarbij allemaal door ons heen gaat.

Voor cultuurkritiek moeten we eerder bij ‘denker des vaderlands’ Hans Achterhuis zijn, die in zijn vorig jaar verschenen boekje Zonder vrienden geen filosofie een pleidooi hield voor ‘persoonlijk schrijven’. Juist op dat punt lijken Jensen en Simon het volkomen met hem eens te zijn. Met dit verschil dat het bij Achterhuis ‘in de eerste plaats met de keuze van het onderwerp te maken’ heeft; bij Jensen en Simon blijkt het een alibi om het royaal over zichzelf te hebben.

Toch hoeven we geen afscheid te nemen van de ziel, want het is bij hen een en al beleving wat de klok slaat. In Dag vriend! Intiem kapitaal in tijden van Facebook onderneemt Jensen ‘een persoonlijke, verhalende verkenning’ in het rijk van de nieuwe sociale media. In het morgen te verschijnen Dus ik ben weer (het vervolg op Dus ik ben) gaat het over ‘identiteit’. Een ruim onderwerp, zo blijkt, dat zowel de omgang met schoonheid omvat als de dood, het spel, het reizen en nog veel meer.

Wie naar identiteit vraagt, vraagt: wie ben ik eigenlijk? Jensen behandelt deze kwestie in het algemeen, maar over haarzelf komen we ook het nodige te weten. Dat ze een dochtertje heeft bijvoorbeeld, dat ze inmiddels ‘ambivalent’ staat tegenover Facebook aangezien het ook een ‘commercieel bedrijf’ is, dat ze zichzelf beschouwt als een ‘roofdier met goede manieren’ en dat ze ‘heel, heel oud’ denkt te worden, want dat zit bij haar in de familie.

Vergeleken bij wat Coen Simon over zichzelf vertelt, is dit nog niets. In Wachten op geluk. Een filosofie van het verlangen licht de auteur zijn halve doopceel. In zijn mijmerende beschouwingen over allerlei vormen van verlangen (‘We staan verlangend in de wereld’) is het heel gewoon een zin tegen te komen als de volgende: ‘Op het plein van de kleuterschool vlak naast de zandbak lig ik op mijn rug en boven op me zit Nina Smitskamp’ of ‘Een week voor Kerst stond ik aan het eind van de avond een sigaret te roken in de deuropening van onze schuur’. Vanuit die deuropening ziet Simon vervolgens de kat van buren voorbij komen, in wie hij de ‘ziel’, ja zelfs de ‘wereldziel’, ziet oplichten. Ook krijgen we het nodige te horen over Simon als jonge vader, over een reünie op zijn middelbare school, over zijn rij-examen, zijn deelname aan de jacht en zijn jeugdvriendinnetjes.

Wat heeft dat nog met filosofie te maken?

Wel, al deze herinneringen dienen als illustratiemateriaal – en dat kan kennelijk niet autobiografisch genoeg zijn. Zowel Jensen als Simon citeren van tijd tot tijd een erkende filosoof, maar meestal gaan ze zo laag mogelijk op de hurken zitten. Het bontst maakt Simon het, wanneer hij schrijft, na iets over Schopenhauer en Kant te hebben verteld: ‘Al valt er geen speld tussen te krijgen, het blijft zo theoretisch’ – maar wat is filosofie anders dan theorie?

Bij Simon (en tot op zekere hoogte ook bij Jensen) blijkt filosofie neer te komen op een soort fenomenologie van het dagelijkse leven, met een vleugje levenskunst. Veel theorie komt daar inderdaad niet aan te pas. Aan de bestaande theorieën wordt althans niets nieuws toegevoegd. De nadruk ligt niet zozeer op de originele gedachte, als wel op de vlotte communicatie, die bij Simon hoogstens wordt gecompliceerd door zijn neiging tot mooischrijverij en quasi-diepzinnigheid. Maar daar staan weer al die gezellige autobiografische passages tegenover. Jensen op haar beurt tracht het denken een vanzelfsprekende plaats te geven in de moderne mediawereld, waarmee zij zo vergroeid blijkt dat zij zich er op zeker moment van los moet scheuren.

Ook voor verontrustende gedachten hoeft niemand te vrezen. Op fundamenteel niveau is alles al bij voorbaat beslist; beider horizon bestaat uit een braaf humanisme, dat het beste met de wereld voorheeft. Zelfs wanneer Simon vertelt over zijn vroegere vechtlust, blijkt die gelegitimeerd te worden door verontwaardiging over discriminatie. En als puntje bij paaltje komt, blijft de klap uit, omdat de jonge Simon (zoals hij nadien dankzij Levinas leert inzien) de ander diens ‘menselijkheid’ niet wilde afnemen. Ook het ‘roofdier’ Jensen onthult haar sociale inborst door bij de behandeling van realityshows de (zelf)exploitatie van ‘domme en ordinaire’ volkstypes in Oh oh Cherso ‘veel erger te vinden dan die van Gooische vrouwen of leden van de Nederlandse adel.

Het grote voorbeeld van zowel Jensen als Simon lijkt de Britse filosoof Alain de Botton te zijn. In zijn bestseller Religie voor atheïsten. Een heidense gebruikersgids (2011) schrijft De Botton onomwonden over de ‘behoeften van de ziel’, die in het verleden zo voortreffelijk werden bevredigd door de religie. Het seculiere heden steekt daar mager bij af, en daarom gaat De Botton na of er niet het nodige uit de religieuze praktijk kan worden ‘vertaald’: ‘Sommige aspecten van religies zijn te nuttig, doeltreffend en intelligent om alleen aan gelovigen te worden overgelaten’.

Vergeleken met Jensen en Simon is De Botton extreem uitgesproken. En bij hem komt, naast de levenskunst, ook de cultuurkritiek ruimschoots aan bod. Zijn afkeer van veel moderne seculiere en romantische gewoonten is evident: uit zijn boek spreekt een onmiskenbare nostalgie naar het religieuze (vooraal christelijke en joodse) verleden. Omdat het ware geloof echter ontbreekt, moet De Botton genoegen nemen met een louter pragmatische, van zijn goddelijke dimensie beroofde religie, naar voorbeeld van Auguste Comte’s Religie van de Mensheid.

Religie voor atheïsten is een pleidooi voor onvervalst moralisme in de kunsten en in het onderwijs. Wel zijn de dingen die De Botton aanbeveelt soms zo zot, dat ik mij geregeld afvroeg hoe serieus ik hem kan nemen. Wie raadt docenten in de geesteswetenschappen nu aan een training te volgen bij ‘Afro-Amerikaanse predikanten van de pinkstergemeente’? Ik hoor de halleluja’s al galmen in de collegezaal. En wat te denken van een keten van psychotherapie-winkels, compleet met ‘merk’ – een McDonald’s of Starbucks voor de ziel?

Belangrijker is: ook bij De Botton staat er filosofisch niets op het spel. Wat de behoeften van de ziel inhouden, blijkt aan geen enkele twijfel onderhevig. Zoals Stine Jensen en Coen Simon zich concentreren op de vlotte communicatie, zo houdt Alain de Botton zich uitsluitend bezig met de vraag hoe die behoeften (aan gemeenschap, aan troost, aan wijsheid) zo efficiënt mogelijk kunnen worden bevredigd. Zelfs de vraag wat de ziel zou kunnen zijn, wordt in een handomdraai beantwoord: ‘In ons dragen we een kostbare, kinderlijke, kwetsbare kern, die we zouden moeten voeden en koesteren op zijn veelbewogen reis door het leven’.

Zo simpel kan filosofie dus zijn. De hele maand april lang.

Alain de Botton: Religie voor atheïsten. Een heidense gebruikersgids. Atlas. 318 blz. € 22,95. Zie ook maandvandefilosofie.nl.Dinsdag heeft NRC-katern Mens& een themanummer over de ziel.