Hoeveel zie je als je niets verwacht?

Jökulsá á Brú, gletsjerrivier met de Kárahnjukar-dam. Uit besproken boek

IJsland is bar en boos, ruig en onherbergzaam. De zon schijnt er zelden en er zijn geen ruisende bossen. Zo ver het oog kan zien, is de aarde begroeid met mos en daarom lijkt het er altijd windstil. Bladerend door het boek met 90 liggende kleurenfoto’s van Olaf Otto Becker begrijp je beter waarom zo veel IJslanders zich op de literatuur storten.

De Duitser Becker (1959) maakte in 2005 al een succesvol boek over dat vulkanische eiland. Hij ging terug in 2010 en 2011, om te zien of alles nog hetzelfde was. Kort na zonsopgang legde hij vanaf dezelfde plek als destijds de gletsjers, watervallen, kusten en diepe kloven vast, en confronteert een aantal van die vroege en nieuwe beelden met elkaar. De IJslandse hemel is bij hem altijd grijswit en daaronder stapelen zich tussentonen op van beige tot gitzwart. Lava, dat 20 miljoen jaar geleden vanuit zee werd neergespuugd en zich als basalt ophoopte tot bergmassieven. Het wemelt er van de vogelsoorten, maar in het boek kom je er geen eentje tegen.

Hans Aarsman, voorheen fotograaf en nu foto-observator, onder meer in de Volkskrant, zou Beckers hyperscherpe landschappen rubriceren als ‘prestatiefotografie’: ‘Daar straalt van grote afstand vanaf dat kosten noch moeite zijn gespaard’. Wat vroeger schoonheid heette, verleidt hem niet meer. In zijn nieuwe boek De fotodetective beschrijft hij hoe stap voor stap fotografische idealen en illusies plaatsmaakten voor afstandelijk kijkonderzoek.

Het begon ermee dat vorm vaak niet meer samenviel met inhoud, schrijft Aarsman. Smetteloze galeries die gruwelfoto’s exposeren in gave lijsten. Laat maar, het is fraai tentoongestelde wanhoop. Het engagement en ‘heroïsch zelfbeeld’ van het illustere Magnum-fotocollectief hoefde ook niet meer: ‘te moralistisch, geen humor, te weinig levensvreugde’. Flitslicht wordt er als ‘rechts’ bestempeld, want ‘onderdrukten moesten zoveel mogelijk zichzelf kunnen zijn.’

Uiteindelijk sijpelde alle betovering weg. Achter elke foto dook in zijn hoofd een sjabloon op, de zoveelste reproductie van de zoveelste reproductie. Niettemin bleef Aarsman fotograferen. Hij experimenteerde met chaotische en met lanterfanterige fotografie, maar er kwam weinig lust aan te pas. Spektakel, drama, compositie, esthetiek – fotograferen werd voor hem kijken met voorbedachte rade.

Het boek The Adventures and the Memoirs of Sherlock Holmes van Sir Arthur Conan Doyle (1859-1930) maakte uiteindelijk de detective in Aarsman wakker. Een foto is voor hem nu een verzameling feiten, bewijsmateriaal. Niet de vorm maar het onderwerp heeft prioriteit. En het echte kijken begint daar waar zijn verwachtingen worden tegengesproken, schrijft Aarsman. Net als Holmes wil hij op zoek naar de rauwere werkelijkheid die achter de romantiek ligt waar menigeen in trapt. En naar datgene wat niet opvalt, want ‘in de uitvergroting is het detail even op zichzelf, het verliest zijn vanzelfsprekendheid.’

Ga je met Aarsmans overpeinzingen in het hoofd ook de detective spelen dan valt op hoe weinig de IJslandse landschappen van Becker in de loop van jaren zijn veranderd. Soms is een gletsjer korter en platter geworden; watervallen lijken wat gekrompen; hier en daar is een krachtcentrale neergezet of zijn elektriciteitsmasten verdwenen. De bankencrisis van in 2008 duurt voort in de vorm van half afgebouwde huizen, niet meer geregistreerde auto’s en verlaten Gamma-achtige bedrijfsgebouwen. De bebouwde kom geeft net zoveel kaalslag te zien als de verre omtrek.

Deze opnamen weerspiegelen mijn emoties van die tijd, aldus Becker in de inleiding. Misschien wilde hij IJsland verbeelden in een herkenbare diepe depressie. Maar mensen die zelf ook in zo’n depressie verkeren, zijn helemaal niet in staat ‘prestatie-fotografie’ af te leveren. Zijn trektocht was eveneens ‘een innerlijke reis in de stilte’. En tegelijkertijd een aanklacht tegen hen die de natuur proberen te bedwingen, alleen al door sporen achter te laten. Wat Becker precies dreef, blijft nogal diffuus.

Aarsman op zijn beurt is dat helemaal niet. Hij neemt je in de korte hoofdstukken, aan de hand van foto-opdrachten, tentoonstellingen en andere evenementen, mee in zijn aarzelingen, twijfels en vragen. ‘Hoeveel zou er zijn wat we niet zien, omdat we het niet verwachten? [...] Heb ik echt iets met wat ik fotografeer of gaat het me er voornamelijk om erkenning te krijgen?’

Ergens citeert Aarsman de Amerikaanse fysicus en schrijver Oliver Wendell Holmes. In 1859, zo’n twintig jaar na de uitvinding van de fotografie, voorspelde hij al de reusachtige invloed van dit medium: ‘Het belang van materie slinkt. Het is nog maar een kwestie van tijd en de reproductie zal de materie overwinnen. Een paar negatieven van een mooi ding, van verschillende kanten genomen – meer hebben we niet nodig. Daarna kan het ding zelf bij het vuilnis.’

En wat blijkt? Aarsman heeft zich aan het eind van zijn fotografische verkenningstocht, die hij luchtig en onderhoudend beschrijft, inderdaad de visie van Wendell Holmes eigengemaakt. Fotograferen betekent voor hem nu ruimte besparen en consuminderen. Wil je een espresso-apparaat, adviseert hij, maak er in de winkel een foto van, dan verdwijnt het verlangen wel. Persoonlijke hebbedingen uit zijn moeders nalatenschap dumpt hij zonder wroeging bij het vuilnis, niet zonder ze vluchtig vast te leggen. En een koffiebeker met de afbeelding van een mus, op de keukentafel bij een vriend thuis, vindt hij zo ontroerend – de mus althans – dat hij meteen bij Blokker het hele beker-rek gaat fotograferen. Aarsman is te benijden om zijn doordringende manier van kijken, zijn onbevangenheid en zijn uitdijende onthechtheid. Maar ik durf te voorspellen hij nog lange tijd een pionier zal zijn.