Het was alsof de wereld verder ging zonder mij

Vrachtwagenchauffeur Theo Timmermans (67) zit al sinds zijn 18de ‘op de wagen’. Kort voor zijn pensioen werd hij ontvoerd. „Ik kon nauwelijks geloven dat ik nog leefde.”

‘Ik beschouw mijzelf als een optimist. Ik houd van het leven. Maar toen het tot mij doordrong dat mijn laatste uur geslagen had, berustte ik in mijn lot. Daar heb ik nog steeds moeite mee.

Echt veilig heb ik mij nooit gevoeld als vrachtwagenchauffeur. Ik ken verhalen van collega’s die, door het rubber van hun raam, met een bedwelmend middel in slaap zijn gespoten. Waarna hun trailer werd leeggeroofd.

Zelf raakte ik een keer een truck kwijt terwijl ik zat te eten met een collega in een wegrestaurant. ‘Hé’, zegt hij. ‘Hoor ik jouw motor niet draaien?’

En toch. Wat mij die ochtend in Frankrijk overkwam, is van een andere orde. Ik verdeel mijn leven sindsdien in tweeën: de periode dat ik mensen vertrouwde en de periode dat ik hen met argwaan benader. Ik sluit nu alle deuren achter mij. Dat zou vroeger niet in me zijn opgekomen.

De tocht naar Chauny – waar ik koperdraad haalde – had ik vele malen gemaakt. Ik kon de route wel dromen: via Saint Quentin en Chambrai naar Valenciennes. Van daaruit naar België, met eindbestemming Heerlen. Met een andere truck zou de koperdraad naar Duitsland worden vervoerd. Het ging om vijf pallets, samen 25.000 kilo. Waarde: een kwart miljoen.

De afstand van Chauny naar de autobaan is zo’n dertig kilometer. Ik weet nog dat ik een bord voorbij reed met ‘A26, 17 kilometer’. Een kilometer verderop ging er een zwarte luxewagen naast mij rijden. Blauw zwaailicht op het dak. ‘Stoppen’, wenkte een man in politie-uniform via het raampje.

Mijn eerste gedachte: een lekke band. Of misschien heb ik de deur van mijn trailer niet goed afgesloten. Doordat ik in mijn spiegels keek, heb ik niet goed op de inzittenden gelet. Daarom kon ik later ook geen goed signalement geven.

Eén had een bril, dat weet ik wel. Hij woog minstens 120 kilo. De andere twee hadden een normaal postuur. Ze spraken Frans, de dikke voerde het woord.

De dikke trok mij aan mijn benen uit de cabine. Hij schreeuwde iets over drugs. Een ander duwde mij in de auto, met het hoofd naar beneden, tussen de voor- en achterbank. Op dat moment moeten ze hun bivakmutsen hebben opgezet. Omdat ik niet kon opkijken, was ik nog altijd in de veronderstelling dat ik met politieagenten te maken had.

Of ik een telefoon had, wilde de dikke weten. ‘Ja, op het dashbord.’

En hoe zit het met de brandstof? ‘Vijfhonderd liter.’

Ik vond het vreemd dat hij informeerde hoeveel geld ik bij mij had. Maar ja, ze zouden mij naar het politiebureau brengen. Daar kon ik uitleggen dat ik niets met drugs te maken had. Drugs en bakmeel: ik kan ze niet eens van elkaar onderscheiden.

Na tien minuten rijden werd ik hardhandig uit de auto getrokken. Iemand zette mij op de al geopende kofferbak. Een ander verwisselde de kentekens. Mijn handen en voeten werden met nylon geboeid. Ik begreep toen dat ik met foute figuren te maken had; Franse politieagenten dragen geen bivakmutsen en zwarte handschoenen.

Ik ben nogal snel in paniek. Maar tijdens de vier uur lange rit die volgde, lag ik er als versteend bij. Nu eens reden wij over snelwegen, dan weer door dorpen. Vanuit de kofferbak hoorde ik voetgangers voor het stoplicht met elkaar praten. Gemoedelijk: het leven lachte hun toe. Ik durfde niet om hulp te roepen, want door een skiluikje in de achterbank hield de dikke mij met een mes in bedwang.

En toen hoorde ik een geluid dat ik kende uit een James Bond-film die ik kort daarvoor had gezien. De shreddermachine – want dat was het – perste auto’s tot een pakketje samen. De pakketjes worden vermalen tot ijzersnippers. Ik wist wat mijn ontvoerders met mij van plan waren. Ze wilden geen sporen of getuigen achterlaten.

Steeds verder ging de rij auto’s. Als in een wasstraat wachtte ik op mijn beurt. Omdat de dikke de auto had verlaten – alleen de chauffeur zat er nog in – ben ik gaan duwen tegen de kofferbak. Met de moed der wanhoop; de touwen gaven niet mee. Er restte mij niets anders dan te wachten. Ik voelde een vreemd soort berusting.

Veel beelden gingen door mijn hoofd. Ik dacht aan mijn vrouw. Mijn kinderen. Mijn kleinkinderen. Ik dacht aan de vogels bij ons thuis. Tientallen keren heb ik hun namen genoemd. Ik vroeg vergiffenis voor de fouten die ik had gemaakt. Stond stil bij de dingen die ik nog graag had beleefd. Vijfenveertig minuten heeft dat geduurd – de meest beangstigende van mijn leven.

Daarna hoorde ik het geluid van een autodeur. Ik schrok. De dikke nam weer plaats achter het luikje.

‘Ça va?’

‘Oui, ça va.’

En verder ging de rit. Nu eens langzaam, dan weer snel. Over snelwegen, over zandwegen. Weer hoorde ik voetgangers keuvelen bij stoplichten. Een vreemde gewaarwording: alsof de wereld verder gaat zonder jou.

Na twee uur rijden opende een van hen het kofferdeksel. Ik werd aan mijn benen naar buiten getrokken. De pijn van verkrampte ledematen woog niet op tegen de vreugde over zo veel vrijheid. Maar tegelijk de paniek: wat gaan ze met mij doen? Word ik gespaard?

Vite, vite, cette direction, schreeuwde de dikke. Hij gebaarde mij het bospad op te lopen. Een schot in de rug? Ik vermoedde het, maar ben toch gaan rennen. Slingerend, in de hoop dat zij zouden missen.

Na een paar honderd meter durfde ik om te kijken. Het was stil in het bos. Ik had geen idee hoe ver ik van de bewoonde wereld zat.

Ik rende verder. Viel. Rende weer verder. Toen ik in de verte auto’s zag rijden, kreeg ik hoop. Ik stuitte op een bietenveld, dat ik met vallen en opstaan heb doorkruist. Links lag een kerkhof, dat herinner ik mij nog goed.

Dat de ene na de andere automobilist mij voorbijreed, toen ik eindelijk de weg had bereikt, verraste mij niet. Ik moet er vreselijk hebben uitgezien....

En toen plots dat jonge meisje, in haar deux-chevaux. Ook zij reed mij voorbij, maar ze bedacht zich. Ze ging op haar rem staan, reed achteruit. Als een bezetene rende ik in haar richting.

Na amper tien minuten zat ik in Betz, een gehucht met één agent. Ik kon nauwelijks geloven dat ik nog leefde.

Mensen vragen mij wel eens waarom ik niet „over die politieauto ben heen gereden”. Maar hoe kon ik weten dat het nepagenten waren? En zelfs al hád ik het geweten, dan was ik toch gestopt. Tegen dat soort lieden kun je je als chauffeur niet beschermen. Ze schrikken niet terug voor moord, vertellen collega’s. Bewijsmateriaal wordt vakkundig opgeruimd.

Dat ik nog steeds rijd, komt door mijn trots. Als ik met pensioen ga, is dat mijn eigen keus. De overval heeft mij 56.000 euro gekost. Mijn vrachtwagen is uitgebrand en leeggeroofd teruggevonden. Die was verzekerd, maar de rest heb ik uit eigen zak moeten betalen: een computer, vergunningen, een huurwagen. Dat geld was bedoeld als oudedagsvoorziening voor deze zelfstandige ondernemer.

Mijn kleindochter vroeg mij eens of ‘die boze meneer’ mij pijn had gedaan. Instinctief voelt zij: opa heeft verdriet. Boos of wraakzuchtig ben ik na mijn ontvoering nooit geweest. Wel bang. Je hoopt dat de angst afneemt, maar het tegendeel is waar. Dat mensen voor niets terugdeinzen, is moeilijk te accepteren.”

Danielle Pinedo