Het staat er echt: het roze hijgen!

Rebekka W.R. Bremmer en Wytske Versteeg (r) Foto’s Allard de Witte en Casper van Tilburg

Rebekka W.R. Bremmer: Eb. Querido, 250 blz. € 18,95

Wytske Versteeg: De wezenlozen. Prometheus, 200 blz. € 17,95

Je zou het vaker willen zeggen over een debuut, maar vaak komt het er niet van: Nederland is een schrijver rijker. Maar nu mag het, want na lezing van de debuten van twee jonge schrijvers is de conclusie dat de uitspraak op in elk geval één van hen van toepassing is.

Rebekka (W.R.!) Bremmer en Wytske Versteeg schrijven in Eb en De wezenlozen allebei over mannen die er niet meer zijn. Bij Bremmer moeten we dat letterlijk nemen: de visser Johannes vertrekt naar zee en laat zijn vrouw Geeske in steeds groter wordende zorgen achter. Komt hij nog wel terug?

Geeske is bezorgd; Eb is ongeveer een eeuw geleden is gesitueerd, toen de vis nog duur betaald werd, en niet in het nu, waar vissers met zo goed als volledig geautomatiseerde schepen de bodem van zeeën afschrapen. Nu rijst de vraag wat een jonge schrijver als Bremmer in zo’n Heijermans-achtige setting met wapperend wasgoed en soep van vissenkoppen te zoeken heeft. Wat biedt zo’n landschap aan literaire mogelijkheden wat niet in een andere tijd gevonden kan worden? Welk ei kon niet in een ander klimaat worden uitgebroed?

Een van de voornaamste redenen is dat de godvruchtige mens, Geeske in dit geval, beter op z’n plek is in een vroeg twintigste-eeuws Holland (afgaande op zo goed als vergeten ambachten en voorwerpen als ‘visleurster’, ‘hondenkar’ en ‘dorpspomp’) dan in het Nederland van nu. Want zoals zo vaak in Nederlandse literatuur is het fijn sentiment slaan uit het vermoeden in een Almachtige, al waakt Bremmer voor een oversentimentele aanpak. Geeskes vaste rituelen geven haar houvast en samen met het zachtjes prevelen van delen uit de Schrift zorgt ze ervoor dat de onrust haar niet volledig in de greep krijgt tijdens Johannes’ afwezigheid.

Knipogen

Maar wat houdt Bremmer ons met haar vertelling nog meer voor dan een duik in de geschiedenis? Ik kwam er niet achter. Er staat geen spanning op haar zinnen, de taal die ze bezigt verraadt niet méér dan wat er aan handeling meegedeeld wordt. Het enige compliment verdient Bremmer eigenlijk alleen voor de wijze waarop ze Geeske met een ‘concurrente’ in aanraking laat komen. Alleen dan ontstaat er iets van een atmosfeer die de aandacht opeist.

Maar dan Wytske Versteegs De wezenlozen, dat zich na een wat cryptische preambule al snel ontpopt tot een intense roman over een gezin dat uit elkaar valt. Aan het hoofd van het gezin staat de classicus Siegried van Oort, een man die als leraar en als vader van twee dochters gebukt gaat onder het erfgoed van de Westerse intellectuele geschiedenis. Tegen de klippen op probeert hij zijn eigen kinderen en de kinderen in zijn klas te vormen zoals hij dat wil, vol aandacht voor de Griekse en Romeinse denkers die hij zelf zo diep in zich meedraagt. Een man op een eiland, iemand op wie eigenlijk niemand meer zit te wachten. Nadat één van zijn dochters al vroeg in haar leven een ongeluk krijgt waarbij ze haar taligheid verliest, wordt zij Siegfrieds ‘project’ om autonoom te blijven.

Versteeg verwerkt weinig handeling in haar roman, maar wat ze wel doet is het in af en toe verbluffend sterke zinnen bestoken van de familie Van Oort. Over Siegfrieds streven om de werkelijkheid in zijn netje van taal te vangen schrijft ze: ‘Wat hij niet begreep was hoe die woorden iets hadden gedefinieerd en ingekleurd wat hij zelf niet eens begreep, hoe ze het donkere, het roze hijgen hadden blootgelegd, maar de verwarring en de tederheid verborgen achter meedogenloos stenen geboden.’

Het roze hijgen!

Over de klif

Zoals veel andere schrijvers grijpt Versteeg seks aan om een personage definitief over het randje van de klif te duwen. Siegfrieds vrouw Clarissa wacht haar man thuis op in een laatste poging hem te ontdooien. ‘Ze moest iets doen om door zijn huid, zijn stilte en zijn traagheid heen te breken, het groeien van de stenen om hen heen te stoppen. Ze wachtte tot ze wist dat hij zou komen, de meisjes waren zwemmen en het huis was leeg, ze wachtte tot de deur geopend werd. Er was geen muziek, maar ze neuriede ‘Pink Panther’, neuriede met klakkende tong op een manier die haar uitdagend leek, terwijl hij in de deuropening bleef staan, zijn leren tas onder één arm, zijn jas nog aan en zij haar peignoir liet openvallen, wat onhandig, haar bleke lijf daaronder, haar borsten, haar tedere borst, dacht ze, in woorden die niet de hare waren, haar tedere borst en het netwerk van blauwe adertjes dat daarop zichtbaar was. Hij zei niet dat ze op moest houden, maar zijn hand omklemde de leren tas zo stijf dat zijn knokkels wit werden.’ Het is af en toe, en niet alleen in deze passage, bijna beangstigend dat er iemand is die in 1983 geboren is en die dit al lijkt te weten van mensen die veel ouder dan zij zelf is.

‘Gewoontes, weet ze, zijn belangrijk’, valt er ergens anders over Clarissa te lezen. In De wezenlozen, een roman als een brandglas, zijn het vijf woorden waarmee de lezer wat adem gegund wordt na al die zinnen die in zijn hoofd tot ontbranding kwamen. Eb is echter gestut op dit soort kalmte. Duidelijker kan het verschil tussen twee debuten niet worden getoond.