Focus bij misbruikzaak niet alleen op psychische schade

Waarom gaan mensen bij een misbruikzaak als die van Robert M. verbeten op zoek naar psychische schade bij slachtoffers? Zo’n zoektocht kan een self-fulfilling prophecy zijn, waarschuwt T. van Willigenburg.

In de motivering van de straf die de rechtbank in de Amsterdamse zedenzaak ongetwijfeld aan Robert M. zal opleggen, zullen de verklaringen van deskundigen over de schade die de slachtoffers hebben opgelopen, en de toekomstige gevolgen ervan, mogelijk een belangrijke rol spelen. Hoewel er natuurlijk wetenschappelijke studies zijn waarop zij zich kunnen baseren, betogen psychologen dat nare ervaringen bij zuigelingen kunnen leiden tot een verkeerde ‘programmering’ van de hersenen, zeker als de bron van die ervaringen iemand is die hen vervolgens troost en verzorgt. Ook al hebben kinderen geen enkele bewuste herinnering aan dergelijke trauma’s, toch kan het leiden – zo wordt gezegd – tot latere problemen bij het aangaan van intieme relaties en bij het ontwikkelen van vertrouwen en een positief zelfbeeld.

Natuurlijk willen ouders graag weten hoe hun kind er (straks) aan toe is, maar ik vrees dat dit soort psychologische speculaties meer kwaad doen dan goed. Ernstig zieke pasgeborenen ervaren vele pijnlijke aanrakingen en ingrepen, ook van liefdevolle verzorgers. Ouders kunnen er niet altijd bij zijn om te troosten en ‘positief te hechten’. Toch is bij deze patiëntjes geen vloed aan latere trauma’s aangetoond. Alleen langdurige interventies en hospitalisering hebben een aantoonbaar effect. We weten dus gewoon niet of de slachtoffers van Robert M. getraumatiseerd zijn. De kans bestaat bovendien dat gealarmeerde ouders zo alert willen zijn op gedragsafwijkingen bij hun kind dat van een ontspannen opvoeding geen sprake meer is en kinderen daardoor problemen gaan krijgen. Een self-fulfilling prophecy dus.

Waarom die verbeten zoektocht naar schade bij kinderen die ten tijde van het misbruik soms niet ouder waren dan zestien weken? Het heeft te maken met de toegenomen ‘economisering’ van ons denken over het kwaad. Tegenover de dader die zich een wederrechtelijk ‘voordeel’ heeft toegeëigend, staat het slachtoffer dat ‘verlies’ heeft geleden. Dat verlies en die pijn maken we zichtbaar en voelbaar door het slachtoffer (of diens ouders) spreekrecht te gunnen. Straf is dan een compensatie voor dat leed, al is die compensatie per definitie gebrekkig (‘het slachtoffer heeft levenslang, waarom de dader niet?’). Daders en slachtoffers spelen, in economische termen, een zero sum game, waarbij de winst van de één altijd verlies voor de ander betekent.

Met een dergelijke redenering rationaliseren we onze woede over de misdaad en onze roep om vergelding. Maar is dat nodig? Waarom kunnen we niet zeggen dat er goede redenen zijn waarom volwassenen zich niet seksueel mogen inlaten met kinderen, ook al is onduidelijk of dat schadelijk is of niet? De kindertijd is een op zichzelf staande, waardevolle, ontroerende periode waarin volwassen lust niet thuishoort. Wie we in dat opzicht tot ‘kind’ rekenen, is afhankelijk van tijd en cultuur. Onder de zestien bij ons, onder de achttien, veertien of twaalf elders. In plaats van alles te gooien op het leed van slachtoffers kunnen we ook zeggen dat Robert M. de morele orde heeft geschonden die door de strafwet wordt beschermd. We moeten nadenken over wat die morele orde inhoudt en welke vitale waarden we willen hooghouden. Het leed van slachtoffers trachten te verzachten is daarvan een belangrijke consequentie, maar trauma’s zoeken waar ze niet zijn is zowel een belediging voor mensen die wél als voor mensen die niet beschadigd zijn.

Het Openbaar Ministerie meldde dat er in Zeeland mogelijk honderd pubers zijn misbruikt. Tot nu toe hebben zich geen tientallen getraumatiseerde slachtoffers gemeld. Misschien komt dat wel doordat de bewoners van Westkapelle heel goed weten hoe ze ‘orde’ moeten houden: niet door het leed uit te vergroten, maar door een praktische overtuiging over wat hoort en niet hoort en een nuchtere omgang met degene die moeite heeft die grens te respecteren.

T. van Willigenburg is oud-hoogleraar medische ethiek bij het Academisch Medisch Centrum en thans verbonden aan Kant Academy.