Een revolutie voor ons eten

Als consumenten zich bewust worden van hun macht kunnen ze duurzame levensmiddelen die het nu niet redden toch in het winkelschap krijgen. Sandra van Kampen en Dick Veerman werken aan een heuse voedselrevolutie.

A view of a peat swamp on land owned by PT Arara Abadi, part of the Sinar Mas Group that owns Asia Pulp & Paper Co., in Pangkalan Panduk, Pelalawan, Riau province, Indonesia, on Tuesday, Aug. 10, 2010. Norway entered a partnership with Indonesia to support Indonesia's efforts to reduce emissions from deforestation and degradation of forests and peat lands. Photographer: Dimas Ardian/Bloomberg Bloomberg

Het was in de warme zomer van 2010 dat Sandra van Kampen merkte dat er een grote beweging bestaat van Nederlanders die bewuster willen omgaan met voedsel. Een aardbeienboer liet op twitter weten dat hij zijn recordoogst aan eersteklas aardbeien niet kwijtraakte. Dick Veerman, oprichter van de veelgelezen website Foodlog, organiseerde via sociale media de eerste en enige strawberrymob: de boer met zijn aardbeien op het Museumplein, en een heleboel enthousiaste, via internet gemobiliseerde klanten die hun eten rechtstreeks bij de producent kochten.

„Hij had honderden doosjes meer kunnen verkopen”, zegt Van Kampen. Zij is adjunct-directeur van Urgenda, een stichting die de verduurzaming van Nederland wil versnellen. „Je kunt die beweging niet vastpakken, zij is ongeorganiseerd. Er zijn tal van ondernemers, boeren, bloggers, journalisten en consumenten bezig met duurzaam voedsel. Maar hoe krijg je die beweging groter en krachtiger? Door concrete dingen te doen. Zo kwamen Dick en ik vorig jaar op het idee van de voedselrevolutie.”

Van Kampen en Veerman schreven een actiemanifest, dat wordt gesteund door onder andere wetenschappers, ondernemers, tuinders, varkenshouders en activisten. In het document zetten ze uiteen wat er mis is met onze voedselvoorziening: landbouw zou een kringloop moeten zijn, maar is dat niet; schoon water raakt op; de voedselketen is gericht op overconsumptie, waarbij de prijsconcurrentie zo hard is dat niemand geld heeft voor de benodigde innovatie; de voedselverdeling is oneerlijk; we eten te veel dierlijke eiwitten; grondstoffen leggen vaak vele duizenden kilometers af.

En ze bedachten hoe het anders moet. De voedselrevolutie dus, waarvoor morgen de aftrap wordt gegeven in een hightech-kas voor duurzame tomaten in Bleiswijk. „Geen revolutie in de stijl van Che Guevara”, zegt Veerman in zijn huis in Utrecht. „Het gaat om het verbinden van individuen die er voor willen gaan. Die kunnen trouwens best voor een multinational als Unilever werken.”

Wat moeten die mensen gaan doen? Consumenten kunnen hun bestedingen inzetten door producten te kopen die dichter bij hen in de buurt zijn verbouwd en verwerkt, en waarvan de productie meer gericht is op het sluiten van kringlopen. „Varkens hoeven niet gevoed te worden met soja uit Brazilië”, zegt Veerman. „Daarmee onttrekken we nutriënten aan het Braziliaanse oerwoud die hier in de mest belanden. Daarvan hebben we veel te veel, maar die overschotten krijgen we nooit meer terug in planten. Varkens zouden bijvoorbeeld ook genoeg eiwitten kunnen binnenkrijgen uit lupine [een vlinderbloemige plant die ook bonen draagt, red.] die hier geteeld is.”

Het werkt om producten „door het kanaal te trekken”, merkten de twee revolutionairen in het geval van de aardbeienboer. Om te helpen duurzame producten voor een groot publiek toegankelijk te maken als dat met de gebruikelijke wetten van de marketing niet lukt. „Het probleem van duurzame producten is dat het altijd niches worden. Dan wordt het gezellig biologisch”, zegt Veerman. „Ze moeten hogere marges hebben dan gewone producten, zo werkt marketing nu eenmaal. Maar dat is geen oplossing voor de wereld! We willen natuurlijk dat ze 50 procent van de omzet gaan vormen.”

Kost het een consument niet veel te veel tijd om zo hard over zijn boodschappen na te denken?

Van Kampen: „Je kunt met een kleine groep mensen wel degelijk verandering bewerkstelligen. Het Max Havelaar-keurmerk is een krachtig middel geweest om de hele koffiemarkt in beweging te krijgen en duurzamer te laten worden. Max Havelaar zelf heeft slechts een marktaandeel van enkele procenten, en veel meer zal het nooit worden. Maar die groep trouwhartige consumenten heeft wel een golfbeweging veroorzaakt. Zo krijg je de juiste spullen in het schap voor de grote groep mensen die welwillend zijn maar niet precies weten wat ze moeten doen.”

Veerman: „Tegenwoordig is er steeds meer wantrouwen tegenover duurzaamheidscertificaten als Max Havelaar. Ik zou ze ouderwets durven noemen. Weet Max Havelaar precies wat er in die landen gebeurt? Datzelfde wantrouwen is er ten aanzien van regeringen en grote bedrijven. Onder zo’n 20 procent van de bevolking bestaat een beweging die zegt: we willen weten waar ons voedsel vandaan komt. Die beweging willen wij aanzetten.”

Vanaf mei willen de revolutionairen levensmiddelen waar zij in geloven in de winkels zien te krijgen. Zo’n 400 winkeliers – kleinere en middelgrote bedrijven – hebben hun medewerking toegezegd. Een panel van journalisten moet die producten gaan proeven en er over publiceren. Consumenten kunnen hun mening geven via sociale media. Zo moeten goede producten dan een permanente plaats in de winkel veroveren.

Van Kampen: „Consumenten voelen zich nu vaak gemanipuleerd en worden dan cynisch. Maar je kunt hun vertrouwen ook zo weer aanboren. Kijk naar het klimaatprobleem. Dat kan een mens niet in zijn eentje oplossen, maar zonnepanelen slaan toch aan. Door zelf energie op te wekken, krijgen mensen het idee dat ze iets bijdragen, en op zonnige dagen hebben ze het plezier dat de elektriciteitsmeter terugloopt. Je krijgt een soort huiselijke tevredenheid die mooi samengaat met het bestrijden van het klimaatprobleem.”

Veerman: „Het midden- en kleinbedrijf gaat de wereld redden. We moeten de productieprocessen verkleinen en dat kunnen zij veel beter dan bedrijven als Nestlé en PepsiCo. Die kunnen niet snel genoeg veranderen. Unilever heeft bijvoorbeeld een nieuwe fabriek in Australië die gericht is op de opkomende afzetmarkt in Azië. Alle grondstoffen moeten daarheen gebracht worden. Dan kun je wel duurzame palmolie gebruiken, maar daarmee is het productieproces bepaald nog niet duurzaam.”

„Geitenwollensokkenmensen zien het liefst dat hun voedsel binnen een straal van twintig, dertig kilometer verbouwd wordt. Wij denken dat als je kringlopen verkleint tot een straal van 600 tot 800 kilometer, je veel nutriënten in de regionale kringloop kunt houden. De kleine en middelgrote bedrijven kunnen dit veel beter dan de multinationals. Zij kunnen sneller innoveren. Daar zijn ze op ingesteld, dat is hun bestaansrecht.”

We gebruiken toch talloze producten die niet binnen een straal van 1.600 km geproduceerd kunnen worden?

Veerman: „Je zult producten van daarbuiten moeten blijven aanvoeren, maar binnen 1.600 kilometer kun je veel doen. Bovendien kun je werken in wat wij noemen ‘logistieke achtjes’: centrale overslagpunten die twee distributiecirkels met elkaar verbinden. Verder moet het gemengde bedrijf opnieuw worden uitgevonden. Dierlijke mest en planten horen bij elkaar. We gebruiken veel te veel kunstmest.”

Hebben jullie berekend hoeveel duurder ons voedsel op die manier wordt?

Veerman: „Het hoeft niet veel duurder te worden. Supermarkten concurreren nu op houdbare producten, zoals wasmiddelen en bier. Verse producten maken ze juist heel duur. Daarmee financieren ze die concurrentie. Maar als winkels alleen verse spullen zouden verkopen, zouden die niet duurder hoeven te zijn dan bij Albert Heijn. Het gaat om de margemix. Verder moet je de productie op lokale schaal zien te optimaliseren. Dat gaat Unilever niet doen, maar het midden- en kleinbedrijf kan dat wel.”

Van Kampen: „Het duurzaamheidsprogramma van Unilever is overigens wel indrukwekkend. Zij willen in 2020 al hun producten hebben verduurzaamd. Als zo’n wereldspeler dat doet, heeft dat een grote positieve uitstraling.”

Veerman: „En ze menen het echt. Het is fantastisch wat ze doen, maar wij moeten nu aan de slag met de volgende stap om bedrijven naar echte oplossingen te helpen, want wat zij doen is wel too little, too late. Zij hebben een twintigste-eeuwse oplossing, wij werken aan een eenentwintigste-eeuwse.”

Van Kampen: „En multinationals als Unilever kunnen ook niet alles. Zij kunnen alleen proberen hun producten zo duurzaam mogelijk te maken. Maar ook consumenten moeten veel bewuster zijn. Dat wij minder vlees moeten gaan eten, daar kan Unilever weinig aan doen. Als de consument zich bewust wordt van zijn macht, kun je veel in beweging zetten.”

Methodes voor een meer duurzame voeding uit het manifest van de voedselrevolutie

1 sluit kringlopen lokaal

Zorg voor maximaal haalbare lokale kringloopsluiting, want alleen zo houd je maximaal alle voedingstoffen en energie in een voor de mens beschikbare vorm in omloop. In Noordwest-Europa zijn kringlopen van 600 kilometer realistisch.

2 betrek mensen

Consumenten moeten kunnen meebeslissen over producten die in het winkelschap komen en kunnen meedenken over verdere vernieuwingen.

3 houd het geld lokaal

Houd het geld voor het eindproduct zo dicht mogelijk bij de plek waar het basisproduct wordt geteeld. Zo zorg je er voor dat voedsel hier blijvend op een rendabele manier gemaakt kan worden en andere landen niet leeggehaald worden.

4 wees biodivers wijs

We moeten leren van de natuur: alles hangt met alles samen. We kunnen het systeem niet straffeloos uit zijn voegen duwen. We gebruiken nog te veel bestrijdingsmiddelen die ecologische evenwichten verder verstoren.

5 sjouw niet met halffabricaten of dieren

Vermijd het heen-en-weervervoer van halffabricaten. Dat kost veel energie en schaadt dierenwelzijn. Maak de eindproducten zo dicht mogelijk bij consumenten. Bedrijven worden dan ook kleiner, wendbaarder en innovatiever.

6 laat import en export lopen via logistieke achtjes

Niet alles kan van dichtbij komen. Vervoer producten die niet in de buurt gemaakt kunnen worden volgens ‘logistieke achtjes’: maak centrale overslagpunten waardoor transporteurs efficiënt ladingen heen en terug kunnen vervoeren.

7 denk volgens de 4 E's

Oplossingen moeten economisch uit kunnen en ecologisch kloppen. Wij moeten ons er ethisch (naar mens en dier) en esthetisch (het moet er mooi uitzien) in kunnen vinden.

8 maak ruimte voor een 21ste-eeuwse landbouw en economie

Bedrijven en consumenten kunnen regionaal geld laten circuleren waarmee duurzame producten worden gepromoot en versneld in de verkoopkanalen terecht- komen. Zij bepalen samen aan welke normen deze producten moeten voldoen.

Hanneke Chin-A-Fo