Een enkeling eet nog rat

In een sloppenwijk in Mumbai wast een vrouw haar kleren Foto Rafiq Maqbool/ AP

Katherine Boo: Een beter bestaan. Overleven in de sloppen van Mumbai. Nieuw Amsterdam, 320 blz. € 19,95

De inwoners van Annawadi, een nietig sloppenwijkje bij de internationale luchthaven van Mumbai, doen er alles aan om niet op te vallen. Om niet de aandacht van de stedenplanners op hun illegale hutjes te vestigen. Om de politie uit de buurt te houden. Om, zoals de 16-jarige afvalverzamelaar Abdul zijn levensmotto uitdrukt, ‘ongelukken en catastrofes te vermijden’.

Omgekeerd doet de stad zijn best om Annawadi te negeren. De luchthavenautoriteiten, die een schutting hebben geplaatst tussen Annawadi en de bloemperken van Airport Road. De vijfsterrenhotels langs de weg, die hun zakenklanten vooral het economische succes willen laten zien. De politici, die alleen achter de schutting kijken als er verkiezingen zijn en het dus tijd is voor routinematige beloftes.

En zo leven winnaars en verliezers strak langs elkaar heen in India, het economisch groeiwonder dat nog altijd meer ondervoede inwoners telt dan Centraal Afrika. Katherine Boo, Pulitzerprijswinnaar en redacteur van The New Yorker, deed drieënhalf jaar onderzoek in Annawadi – ‘De Onderstad’, zoals zij het noemt – omdat zij vond dat er te weinig bekend was over de levens van gewone Indiërs.

Want het zíjn gewone Indiërs, de 3.000 mensen die sinds 1991 zijn neergestreken in het drooggelegde moeras dat nu Annawadi heet. Er zijn nog maar een paar gezinnen die ratten en gebakken gras moeten eten. Daartegenover staat dat maar zes personen een vaste baan hebben. De meerderheid zit daar tussenin, en scharrelt in de informele economie: afval sorteren voor de recycling, vissen in het rioolmeertje, een bordeel runnen, werken als dagloner. 85 procent van de werkende Indiase bevolking verdient zo de kost.

Unicef wees er vorige maand nog op dat de problemen van sloppenwijkbewoners, nu één miljard, onderbelicht zijn. De meeste armoedebestrijding is gericht op het platteland, maar inmiddels woont de helft van de wereldbevolking in steden en groeit het aantal mensen in sloppenwijken sterk. Overbevolking, criminaliteit, gebrekkige hygiëne en onveiligheid zijn de problemen die daarbij horen.

Het is een leven dat van touwtjes aan elkaar hangt. De boel kan zo in elkaar storten. Boo beschrijft bijvoorbeeld de lotgevallen van het afvaldiefje Kalu, gespecialiseerd in het afstropen van de recyclingbakken van de luchthavencateringbedrijven. Afgedankte aluminium dienbladen zijn voor hem de hoofdprijs. Maar de politie krijgt hem in de gaten. Hij mag het afval blijven stelen in voor ruil informatie over lokale drugsdealers. Niet lang daarna wordt de jongen vermoord, vermoedelijk door die drugsdealers. Ook hier heeft de politie een oplossing voor: ze pakken de andere afvaldiefjes van het luchthaventerrein als verdachten op en martelen die zo dat ze zich nooit meer in de buurt durven vertonen. Daarna wordt Kalu’s dood toegeschreven aan tuberculose en verdwijnen de politiefoto’s uit het dossier.

Dat is een terugkerend thema in het leven van alle Annawadi-bewoners die Boo beschrijft: hoe men elkaar, als onderdeel van de overlevingsstrijd die iedereen nu eenmaal moet voeren, de verschrikkelijkste dingen aandoet. Allemaal hebben ze wel eens te lijden onder de boosaardigheid van anderen. Wat zo knap is aan dit boek is dat de auteur laat zien waaróm mensen zich die streken permitteren.

Neem de veertigjarige moeder Asha, afkomstig uit een kreperend dorp en vastbesloten om de baas van de wijk te worden. Om dat te bereiken weeft ze een fijnmazig web van patronageverhoudingen. Ze is handiger dan de meeste anderen en lost hun problemen op voor geld. Ze kent alle wegen van de corruptie en gaat over lijken. Een oude kennis die hulp vraagt bij het frauduleus verkrijgen van een overheidslening, waarmee hij de corrupte arts moet betalen die hem een nieuwe hartklep kan geven, laat ze rustig sterven als hij niet genoeg betaalt. En Asha gaat verder: naarmate haar macht groeit, gaat ze zelf problemen creëren om die dan voor goed geld op te lossen.

Er is weinig sympathiek aan Asha. Zo is ze woedend als ze ziet dat haar dochter echt lesgeeft aan de kinderen van de wijk, in plaats van te doen alsof, als de inspectie langskomt. Maar Boo laat zien dat ze ook gewoon een moeder is die het perspectief voor haar kinderen wil verbeteren, die kwetsbaar is en vastzit in de greep van lokale bestuurders en politieagenten. Dat ze ook wel eens moe wordt van zichzelf.

De inwoners van Annawadi worden niet geportretteerd als slachtoffers, maar als mensen die bewuste keuzes maken om aan de armoede te ontkomen. Ze laten zichzelf wel eens gaan, maken fouten en hebben vaak pech. Boo heeft eindeloze gesprekken met ze gevoerd, en heeft de feiten die ze haar vertelden zo goed mogelijk gecontroleerd. Dat deed ze niet alleen aan de hand van de verhalen, maar waar het kon ook met officiële documenten en andere bronnen. Zo is ze erin geslaagd om een zeer inzichtelijke schets te maken van de dynamiek in het wijkje. Annawadi kan waarschijnlijk niet model staan voor alle sloppenwijken, maar toch heb je na lezing het gevoel dat je het leven van die een miljard mensen iets beter begrijpt.