Die stilte rond het Catshuis is on-Nederlands

Nederland staat bekend om zijn poldermodel. Waarom stellen de onderhandelaars in het Catshuis zich dan zo geïsoleerd op, vragen Marleen Barth en Kim Putters zich af.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

De premier, de vicepremier en hun gedoogpartner trekken zich al weken terug in het Catshuis om met elkaar tot afspraken te komen over het meest draconische bezuinigingspakket dat ooit is afgekondigd over Nederland. In volledige stilte, afgesloten van de buitenwereld, worden ingrijpende besluiten genomen voor de toekomst van miljoenen landgenoten.

Natuurlijk lukken lastige onderhandelingen het best in afzondering, maar dit kabinet maakt van deze geïsoleerde manier van werken al vanaf de start een gewoonte. Geen ministersploeg is zo weinig geïnteresseerd in een breed draagvlak in de samenleving. Elke tegenwerping of welgemeende goede raad wordt van tafel geveegd. Nooit eerder zagen we ministers die zich zo weinig aantrekken van de wijze adviezen van de Raad van State. De Sociaal Economische Raad en andere adviescolleges van de regering praten in de wind – als hun al wordt gevraagd om advies.

Als ministers wél afspraken maken met het maatschappelijk middenveld, worden deze door de coalitiepartijen in de Tweede Kamer aan de laars gelapt. Zie de urennorm in het voortgezet onderwijs. Algemeen aanvaarde uitgangspunten van kwaliteit van wetgeving – zoals zeer terughoudend zijn met terugwerkende kracht en het diepgaand aantasten van aanspraken en rechten van burgers – worden in de Eerste Kamer steeds naar voren gebracht, maar genegeerd. Als de onafhankelijke rechter dat te gortig vindt en ingrijpt, wordt hij door de gedoogpartner weggezet als „linkse hobbyist” – en onze premier laat dit onweersproken. Zelden kende Nederland een kabinet dat elke tegenspraak zo stelselmatig uit de weg gaat.

Van de „uitgestoken hand” waarmee de minister-president bij de start van zijn minderheidskabinet repte, is in de praktijk bitter weinig terecht gekomen. Zeker, hij weet andere partijen goed te vinden als hij dat politiek noodzakelijk acht. Dit zagen we bijvoorbeeld bij maatregelen om onze munteenheid te behouden, de politietrainingen in Kunduz en de positie van de weigerambtenaar. De soepelheid en blije glimlach waarmee de premier zijn liberale principes overboord gooit als de politieke opportuniteit dat vraagt, zijn inmiddels legendarisch.

Maar voor echt draagvlak is meer nodig dan tenminste de helft- plus-één van de zetels in Tweede en Eerste Kamer. Er is ook nog een wereld te winnen buiten de muren van het Binnenhof. Echt draagvlak betekent investeren in begrip onder de bevolking en vergt inlevingsvermogen in wat het voor mensen betekent om hun baan, hun huis of hun toekomstdromen te verliezen.

Twee zaken maken het zelfgekozen isolement van de drie heren extra pijnlijk. Ten eerste kan het kabinet sinds vorige week ook met de gedoogpartner niet meer rekenen op een meerderheid in de Tweede Kamer. Het politieke draagvlak van het kabinet is hiermee nog wankeler geworden. Dit zou voor de premier en de vicepremier juist een reden kunnen en moeten zijn om veel actiever op zoek te gaan naar een breder politiek en maatschappelijk draagvlak.

Dat lijkt een bijkans onmogelijke opgave. Door de onnodig polariserende en zelfs provocerende inhoud van het regeerakkoord zijn onnodig veel partijen – hetzij politiek, hetzij in het maatschappelijk middenveld – afgehaakt in hun bereidheid dit kabinet te helpen met een verantwoorde invulling van de volgende versie.

De oplossing voor dit probleem is simpel: neem afstand van de ambitie om beleid te maken waarbij alleen rechts Nederland zijn vingers aflikt. Dit soort ideologische veren zit het vinden van brede steun voor wat economisch onontkoombaar is – scherpe hervormingen en zware offers vragen van álle Nederlanders – alleen maar in de weg en ze helpen niet om het broodnodige vertrouwen bij consumenten en bedrijven terug te krijgen, vertrouwen dat zo noodzakelijk is om onze vastgelopen economie weer op gang te krijgen.

Dan het tweede punt dat de opgehaalde bruggen van het Catshuis zo bizar maakt. Bij zijn aantreden heeft premier Rutte verklaard Nederland te willen „teruggeven aan de Nederlanders”. Los van wat je van zo’n uitspraak kunt vinden – als iets een typisch kenmerk van de Nederlandse cultuur is, dan is het de handen ineenslaan als de polder dreigt onder te lopen. Als het landsbelang in het geding is, werken Nederlanders samen om het tij te keren. Iedereen kent het succes waarmee in de jaren tachtig en negentig op eendrachtige wijze de vorige grote economische crisis is bezworen. Het Akkoord van Wassenaar betekende in 1982 het keerpunt en bracht ons land uiteindelijk grote sociaal-economische voorspoed en stabiliteit.

In de ons omringende landen geldt deze zeldzaam effectieve en succesvolle aanpak, die jarenlang werd aanschouwd met enige jaloezie, als uniek Nederlands. Een kabinet dat met zo’n zware opgave voor de boeg de polder de rug toekeert, is niet alleen kortzichtig bezig. Het breekt ook met tradities die hun waarde voor ons land misschien wel honderden jaren lang hebben bewezen.

Eén ding staat daarom bij voorbaat al vast. Zelfs al weten Mark Rutte, Maxime Verhagen en Geert Wilders straks die helft-plus-één op het Binnenhof toch weer te organiseren – een duurzaam succes kan hun bezuinigingsbeleid niet worden. Dit zou op korte termijn leuk kunnen zijn voor een oppositiepartij, maar wij vinden dit falen in de bestaande omstandigheden vooral een drama voor de (sociaal-economische) toekomst van ons land.

Zeker bij het zeer ingrijpende bezuinigingspakket dat nu moet worden opgesteld, zou een beroep op de creativiteit en de bereidheid tot meedenken van de Nederlandse bevolking gerechtvaardigd zijn. Het zou bijvoorbeeld passend zijn als het kabinet meer in gesprek gaat met het maatschappelijk middenveld. Dat beheert voor ons allen ruim duizend miljard euro voor onder meer zorg, onderwijs, pensioenen, huurwoningen, publieke omroep en kinderopvang. Het maatschappelijk middenveld wordt bevolkt door betrokken medewerkers en bestuurders. Zij beseffen dat er in de bestaande economische situatie meer van hen wordt verwacht dan het tot de laatste snik verdedigen van hun eigenbelang.

In deze donkere tijden bestaat behoefte aan een kabinet dat brede partnerschappen zoekt en tot stand brengt, maar we zien drie mannen zich opsluiten in een primaat van de politiek. Dit wordt almaar misplaatster naarmate de economische crisis zich verdiept. Het oplossen van deze crisis is te veel gevraagd van een handjevol Kamerleden en bewindslieden. Er is echt meer luisterend leiderschap en maatschappelijk draagvlak nodig om ons land weer vertrouwen te geven in de toekomst.

Marleen Barth en Kim Putters zijn respectievelijk voorzitter en vicevoorzitter van de PvdA-fractie in de Eerste Kamer.