De ander, de eeuwige zondebok

Schrijver en psychoanalyticus Hans Keilson kreeg dankzij The New York Times eindelijk erkenning voor zijn vele jaren eerder verschenen romans. Hij liet in 2011 ook essays na, over aan de oorlog gelieerde thema’s, en daarin komt leermeester Freud vaak om de hoek kijken.

Hans Keilson: Liever Holland dan heimwee. Vertaald uit het Duits en ingeleid door Piet de Moor. Van Gennep, 264 blz. €19,90

‘Rijden op twee ongezadelde paarden’ was een lievelingsmetafoor van de vorig jaar op 101-jarige leeftijd overleden schrijver en psychoanalyticus Hans Keilson. Hij beschouwde zich deels als letterkundige, voor een ander en naar eigen zeggen belangrijker deel was hij arts en wetenschapper. Strikt gescheiden hield hij beide bezigheden niet: uit zijn literaire werk blijkt veel belangstelling voor psychologie, in zijn theoretische geschriften presenteert hij zich als verteller die literaire middelen gebruikt en naar beroemde schrijvers verwijst.

Hans Keilson, in 1936 vanuit Berlijn naar Nederland gevlucht, was een uiterst veelzijdige auteur die bijna alle literaire genres heeft beoefend: romans, novellen, een korte autobiografie, poëzie en essays. Daarnaast publiceerde hij in 1979 een baanbrekende studie over joodse oorlogswezen in Nederland, het al snel tot internationaal standaardwerk opgeklommen Sequentielle Traumatisierung bei Kindern. Vanaf die tijd veranderde Keilsons werk. In zijn langste, nog niet vertaalde essay ‘In der Fremde zuhause’ (1992) schrijft hij: ‘In de jaren tachtig ben ik tot mijn eigen verrassing begonnen met het schrijven van essays, een kunstvorm die het midden houdt tussen wetenschap en literatuur.’

Keilson werd uitgenodigd om op congressen en bijeenkomsten te spreken over zijn werk als psychiater en het leed van oorlogsslachtoffers. Ook kranten en tijdschriften vroegen hem om bijdragen. Graag haalde Keilson bij die gelegenheden herinneringen op aan zijn eigen leven, refereerde hij aan zijn vroegere romans en verhalen. En omdat hij toen nog niet zo beroemd was als nu viel hij nog wel eens in herhaling. Wie de boeiende, nu verschenen essaybundel Liever Holland dan heimwee leest moet daarom één nadeel op de koop toenemen: de reprises zijn talrijk, sommige anekdotes en gebeurtenissen komen vaak terug.

De bundel, samengesteld door vertaler Piet de Moor en Keilson zelf, biedt een keuze uit vier thema’s: autobiografie, antisemitisme en de Tweede Wereldoorlog, de behandeling van oorlogswezen alsmede vijf bijdragen over literatuur en kunst. De twee bekende lange opstellen ‘De fascinatie van de haat’ en ‘Vooroordeel en haat’ overlappen elkaar deels. Keilson benadert hier de jodenhaat vanuit een psychologisch standpunt. Overigens prefereert hij deze term boven ‘antisemitisme’ omdat het laatste de indruk wekt dat het om een modern fenomeen gaat en bovendien ‘pseudowetenschappelijk’ en ‘bagatelliserend’ is.

Jodenhaat is daarentegen van alle tijden en alomtegenwoordig. Vooroordelen tegenover ‘het uitverkoren volk’ hebben altijd bestaan en manifesteerden zich op velerlei manieren. Dat het discriminerende vooroordeel gemakkelijk kon omslaan in haat, vervolging en uiteindelijk vernietiging is volgens Keilson een psychologisch ‘eenvoudig te interpreteren fenomeen’. Hij noemt dit met een van zijn sleutelbegrippen ‘projectie’ (een term die door Freud in meer neutrale zin werd gebruikt).

In Keilsons woorden: ‘Het projectiemechanisme is een algemeen menselijk afweermechanisme. [...] De psychotherapeutische praktijk bevestigt dat elk mens de neiging heeft om de schuld voor zijn conflicten, fouten en nalatigheden bij anderen te zoeken. Op die manier bevrijdt hij zich van zijn eigen schuldgevoelens en van gewetensvragen naar zijn eigen aard, zijn eigen zwakheden.’ Keilson was volledig overtuigd van deze theorie, die hij met verve en op een bijna obsessionele manier uitdroeg. In ‘Vooroordeel en haat’ is hij nog iets duidelijker: ‘Alles wat men in zichzelf verzwijgt en afweert, beleeft men in de projectie aan een ander. Wat men in zichzelf machteloos haat, moet men in de ander vernietigen.’

Hoofdoorzaak

Dit is een interessante, hoewel ook opvallend eenzijdige en daardoor aanvechtbare theorie. Het ‘projectiemechanisme’ was toch niet de enige, laat staan hoofdoorzaak van de jodenhaat en Holocaust? Geen wonder dat Keilson op dit punt hevige kritiek moest incasseren, vanuit Israël en daarbuiten. De ‘projectie’ speelt overigens ook een centrale rol in Keilsons roman In de ban van de tegenstander (1959), die ik mede hierdoor (de essayistische delen zijn tamelijk gezocht) minder vind dan zijn schitterende debuut Het leven gaat verder (1933) of de briljant-absurde novelle Komedie in mineur (1947).

Keilson was een aanhanger van Freud, wat onder letterkundigen niet gebruikelijk is. In een interview dat hij vlak voor zijn dood gaf aan het Duitse weekblad Die Zeit, antwoordde hij op de vraag welke twee boeken hij naar het onbewoonde eiland zou meenemen: de Bijbel en Freuds Vorlesungen zur Einführung in die Psychoanalyse. Maar dat Keilson bepaald niet onkritisch tegenover Freud stond, bewijst hij in zijn lange essay ‘Freud en de kunst’ – waarin hij alle registers van zijn grote belezenheid en eruditie opentrekt.

Keilson verwijt Freud dat deze teveel hechtte aan de kunst als leverancier van ‘genot, esthetische lust, [...] milde narcose’. Ook zou Freud te weinig belangstelling hebben voor moderne stromingen als het surrealisme, voor Salvador Dalí en André Breton, en voor literaire modernisten als Kafka, Musil en Baudelaire, wiens gedichten hem op andere gedachten hadden kunnen brengen: ‘Ik heb me ernstig afgevraagd of Freuds kunstopvatting nog steeds zo veel onwankelbare zelfverzekerdheid zou uitstralen als hij eens van de magische sfeer en het ontbindingsproces van ‘Une Charogne’ (‘Een kreng’, titel van een gedicht van Charles Baudelaire, red.) geproefd zou hebben en de metaforische duiding van het kunstenaarsbestaan in ‘L’Albatros’ (gedicht van Baudelaire. red.) zou hebben nagevoeld.’

De twintig opstellen uit Liever Holland dan heimwee laten een grote verscheidenheid aan thema’s en schrijfwijzen zien. Het essay over Freud en het bovengenoemde ‘De fascinatie van de haat’ zijn tamelijk stroef geschreven, met abrupte overgangen (zonder ‘bruggetje’) en een soms nodeloos gecompliceerde zinsbouw. Hier is Keilson niet altijd even duidelijk.

Andere opstellen zijn elegant, lichtvoetig en deels zelfs briljant. Dat geldt zowel voor het autobiografische ‘Vijftig jaar in Holland’ – over de grote verschillen tussen Nederland en zijn geboorteland Duitsland – als voor ‘Het nationaal-socialisme overwinnen’ en het korte ‘Nooit meer doelman’. In dat laatste essay weidt Keilson uit over zijn passie voor sport en hij doet uit de doeken waarom er een plotseling einde kwam aan zijn veelbelovende carrière als voetballer.

Verzoening

Twee opstellen springen er wat mij betreft uit. Dat is het nauwelijks vier pagina’s tellende ‘Een Duits dubbelleven’, oorspronkelijk geschreven in 1998. Hierin verdedigt Keilson de rector van de universiteit van Aken, een bekende germanist, die destijds werd ontmaskerd als ex-nazi. Keilson noemt het geval ‘een menselijke tragedie’ en een bewijs voor het feit ‘dat men nazi geweest kan zijn en dat toch niet voor altijd hoeft te blijven.’ Een opmerkelijk staaltje van verzoening en vergevingsgezindheid – zeker voor iemand wiens ouders omkwamen in Auschwitz-Birkenau.

Het andere, langere essay heet ‘De gefragmenteerde psychotherapie van een uit Bergen-Belsen teruggekeerde jongen’ – oorspronkelijk verschenen in het tijdschrift Psyche in 1995. Keilson begint dit essay met enkele kunsthistorische opmerkingen, maar al snel komt hij ter zake en bericht – op aangrijpende wijze – over de 12-jarige joodse oorlogswees Esra, die Keilson meteen na WO II in Amsterdam in behandeling had.

Aanvankelijk kreeg Keilson als therapeut geen enkel contact met de ernstig getraumatiseerde jongen, wiens ouders en vijf broers en zussen het kamp Bergen-Belsen niet hadden overleefd. Pas veel later, toen hij zijn gespreksstrategie grondig had gecorrigeerd (zich veel terughoudender opstelde, slechts als passief toehoorder was) gaf Esra iets van zijn gevoelswereld prijs. ‘Onze gesprekken wonnen aan diepte en intimiteit.’

Het is verbluffend hoe Keilson in dit essay, feitelijk een case-study, switcht tussen autobiografische feiten, invoelend rapport en cultuurhistorie – en daarbij en passant nog een excursie maakt naar de invloed van de filosoof Kant op de gedachtewereld van Freud. Wie het heeft gelezen beseft dat Keilson een groot schrijver was, die de 20ste eeuw personifieerde.