Bij een indiaan denk ik aan een Turk

Wat is Winnetou nog waard, 100 jaar na de dood van Karl May? En wie was deze man die beweerde dat alles wat Shatterhand meemaakte door hemzelf was ondervonden, terwijl hij nooit Amerika had bezocht. Hoe kan dat nou, vraagt Atte Jongstra zich af.

recies honderd jaar geleden stierf de Duitse schrijver Karl May (1842-1912), de geestelijke vader van Winnetou en Old Shatterhand. May bereikte met zijn vele boeken een gigantisch publiek. Vele generaties groeiden op met zijn legendarische Wildwest-personages. In mijn jeugdjaren was je bij cowboytje en indiaantje-spelen of de blanke, of de gevederde Karl May-held. De totale verkoop van alleen al zijn Winnetou-trilogie beloopt de 200 miljoen exemplaren.

Heel 2012 ritselt dan ook van de memorie-manifestaties, die vorig jaar al werden ingezet. Voordrachten als Karl May oder die Macht der Phantasie, het hoorspel Ins Reich der Edelmenschen, gedenkwoorden bij de Karl May-buste in zijn geboortestreek, een seminar aan de Berlijnse Humboldt-Universiteit, de expositie Ich war Old Shatterhand te Bamberg, lezingen zoals Karl May: Untertan, Hochstapler, Übermensch, en het Schlossfestspiel Ich erfand Karl May. Ein Psychogramm.

Maar wacht even! Onze Karl May een oplichter? ‘Edelmensen’ klinkt ook verdacht. Was de schepper van onze rolmodellen een psychiatrisch patiënt? Het overgrote deel van zijn enorme lezersschare heeft vast niet bij deze vragen stilgestaan, wij als kinderen zeker niet. Onzinnig zijn ze intussen geenszins.

Natuurlijk moeten we beginnen bij de Winnetou-trilogie, Mays beroemdste avonturenroman, hij publiceerde de drie delen in 1893. Een meeslepend boek. Al na de eerste regel van het auteursvoorwoord kan het niet meer stuk: ‘Als ik aan een Indiaan denk, zie ik altijd een Turk voor me. Dat is terecht.’ Humor, onbedoeld. Een humorist is Karl May beslist niet. Hij wil er mee zeggen dat het Ottomaanse Rijk op moment van publicatie op sterven ligt, net als de indianenrijkjes waarmee de kaart van Noord-Amerika eens bespikkeld was.

Winnetou opent met een greenhorn (‘groentje’), een Duitse landmeter die een spoorwegtraject voorbereidt. We weten wat er volgt: vruchteloos indianenverzet tegen landjepik door de bleekgezichten. Vrijwel alle belevenissen zijn door talloze stripversies en verfilmingen tot cliché verworden, hier sta je aan de oerbron van die Wildwest-gemeenplaatsen. Maar ook die blijkt met clichés bezaaid. Onze Duitse landmeter is een edel- en krachtmens. Een voorbeeldkarakter, hij is de slimste, de wijste, de beste schutter, en zijn morzelvuist (shatterhand) weet de tegenstander immer op de kwetsbare slaap te treffen.

Winnetou is superheld nummer twee. Net als Old Shatterhand is hij de ultieme primus inter pares. Wijs, onwaarschijnlijk behendig, en een lezer: we treffen hem met het epische gedicht The Song of Hiawatha (1855) van de Amerikaanse dichter Longfellow in de hand.

De liefde waarmee Karl May hem hier en daar beschrijft (dat prachtig glanzende, lange haar!) leunt hier en daar zelfs tegen de herenliefde aan: Old Shatterhand is shattered door deze autochtone schoonheid. Dat hij valt voor de sterk op zijn bloedbroeder gelijkende Winnetou-zuster komt bijna voor als doekje voor de deugd.

Blanke schurken heulen met slechte indianen of andersom, de tomahawks suizen, vriend en vijand raken vastgebonden aan boomstronken of martelpalen en worden weer losgesneden. Gymnastische hoogstandjes en mythische schutterskunst van heldenzijde, begeleid door een goed bedoelende blunderclub van toch best flink en vaardige bijfiguren. IJzingwekkende avonturen, in een adembenemend tempo opgedist. Het verhaal waaiert breed uit.

Er zijn ook lange episodes waarin Winnetou uit het zicht raakt, met name in het tweede deel van de trilogie. We vinden Old Shatterhand overal, tot in Afrika aan toe. Ook besluit hij naar Duitsland terug te reizen, maar een hurricane drijft hem naar New York, waar hij als begaafd detective een aantal ingewikkelde zaken miraculeus oplost. Terug in het Zuiden overwint hij glansrijk in een conflict met een stel ongure Ku Klux Klan-types en Winnetou is terug in beeld.

In deel 3 van de roman zijn de gezamenlijke avonturen opnieuw dik gezaaid – tot in een late akte waarin onze Indiaanse held door een kogel uit een Sioux-geweer het leven laat. Waarna nog weer verdere, kakelbonte Shatterhand-avonturen vol edelmensen, treinrovers en goudzuchtigen volgen, waarin boontje uiteraard om zijn loontje komt. Zuchtend slaat men het boek dicht. Vermoeid, voldaan. Hongerig naar meer.

Mijn Nederlandse versie van Winnetou telt bijna duizend pagina’s. May publiceerde alle drie de delen in dat ene jaar 1893. Hij moet als een razende hebben zitten pennen. Ongewoon was zo’n prozaproductie niet, vooral niet als het om avonturenboeken ging. Winnetou hoort thuis in het genre van de colportageroman, een enorm populair genre in die dagen (boeken in afleveringen, deur-aan-deur uitgevent). Vele auteurs werden er rijk mee. Eugène Sue liep binnen met zijn Les Mystères de Paris (1843), de late colportageauteur als Victor von Falk overkwam hetzelfde met zijn grootscheeps verkochte, zwaarlijvige trilogie Giuseppe Musolino, der kühnste und verwegenste Räuber-Hauptmann (1907).

May zelf was in de jaren 1880 schrijver van duizenden pagina's dikke, onder pseudoniem verschenen colportageromans, waaronder Das Waldröschen oder die Verfolgung rund um die Erde (1882–84) en Die Liebe des Ulanen. Original-Roman aus der Zeit des deutsch-französischen Krieges (1883). We mogen dus zeggen dat Karl May in de tijd vóór Winnetou flink geoefend had.

Het grootste deel van de Winnetou-trilogie ontloopt de gemiddelde colportageroman niet, al weet May zijn avonturen waarschijnlijker te presenteren dan Victor von Falk in diens uitzinnige, ademloze Guiseppe Musolino. Daarbij zit aan Winnetou een extra fascinerend aspect. Met name als onze indiaanse held zich nog niet heeft laten zien en Old Shatterhand nog gewoon de in Saksen geboren landmeter Karl is. Die mag dan in het Wilde Westen een groentje zijn, maar in vrijwel al het nieuwe en onbekende dat hij onderneemt is hij meteen briljant. Hoe dat kan?

Shatterhand heeft er over gelezen. Zijn boekenkennis blijkt direct inzetbare praktische vaardigheid: de natte droom van de encyclopedieënlezer. In de eerste honderd pagina’s van Winnetou vinden we veel geografische en etnografische passages die recht uit naslagwerken lijken te zijn weggelopen. Als Shatterhand aan zijn bloedbroeder ook nog eens meldt dat hij voornemens is een boek te schrijven over zijn avonturen, gaat er een lampje branden. Hebben we hier te maken een bekentenis – ik heb alle avonturen aan andermans boeken ontleend? Of moeten we deze pagina’s lezen als een May-zelfportret – ik heb alle avonturen zelf meegemaakt?

Na publicatie van zijn beroemdste boek zei Gustave Flaubert (1821- 1880): ‘Bovary, c’est moi’. Dit type uitspraken hoor je meer van schrijvers. Karl May ging verder. In de eerste plaats is hij blijven beweren dat alles wat Karl Shatterhand in de Winnetou-trilogie meemaakt door hemzelf persoonlijk was ondervonden. De beslist niet erg potige schrijftafelman als morzelvuist? Die Macht der Phantasie. May zette bovendien pas in 1902 voor het eerst voet op Amerikaanse bodem. Hij had de Shatterhand-gestalte en diens belevenissen geboetseerd uit encylopedische verbeeldingsklei.

Het psychogram van Karl May, hoe ziet dat er eigenlijk uit? Bewolkt, zou ik zeggen. Hij had het vanuit een eenvoudig milieu tot leraar geschopt, maar zijn levenswandel is niet slechts respectabel. May kwam in aanraking met politie en gevangenis door dieverij en hochstapler-acties. Hij stal een horloge, ontfutselde geld door zich uit te geven voor een adellijke valsemunterinspecteur. Hij kon liegen dat het gedrukt staat.

Dat laatste mogen we letterlijk nemen. Van de tamelijk goed gedocumenteerde Flaubert ontbreekt elk gegeven dat hij zich in een overspelige Emma-jurk in het openbaar vertoonde, Karl May liet zich daarentegen al te graag fotograferen in een Wildwest-kostuum. Hij schiep het personage Old Shatterhand en zei dat hij het zelf was. Tragisch is dat hij dit ook geloofde – klassiek voor een lijder aan pseudologia fantastica. Hij stoffeerde zijn met royalty’s verworven villa met voorwerpen die hij ‘op zijn vele reizen’ als landmeter in de Verenigde Staten had verzameld, en liet in het geheim de ‘berendoder’ fabriceren die hem in zijn Amerikaanse verleden van vele vijanden zou hebben bevrijd.

May was een gelovig man. Er wordt in zijn werk heel wat afgepreekt, en de geboren natuurgodsdienstige Winnetou sterft als Christen. Dit hield May niet tegen zich eind 19de eeuw in het onder zielzoekers, dwazen, zwevers en oplichters uiterst populaire spiritisme te storten – geesten die spreken, tafeldansen. Combineer dat met het door hem uitgedragen protestantisme en zijn hang naar de moederkerk – Karl May was kerkorganist geweest en componeerde in 1899 een hoogstpersoonlijke, ernstige versie van het Ave Maria. We krijgen dus andermaal een bewolkt beeld.

Tegen het einde van zijn leven schijnt de duidelijk getourmenteerde Karl May een zekere mate van rust te hebben gevonden. Hij houdt zich in Drei Menschheitsfragen (1908) bezig met grote, moeizaam grijpbare kwesties als Wer sind wir? Woher kommen wir? Wohin gehen wir? Maar hij is in het latere werk ook introspectiever. Dat geldt zeker voor zijn ‘selbstbiographie’ Mein Leben und Streben (1910). Er was aanleiding voor zo’n boek. May was verwikkeld in auteursrechtprocessen, maar ook gingen steeds meer stemmen op die de authenticiteit van de avonturen van Shatterhand en diens Oosterse Karl May-evenknie Kara ben Nemsi betwijfelden.

Stilistisch is Mein Leben und Streben een stuk interessanter dan Winnetou, maar voor het overige is het vooral voer voor psychologen. Een pseudologia-patiënt die zijn eigen pseudologia verklaart en verontschuldigt. Zeer gedenkwaardig.