Column

Bert Keizer en de ziel

Al die schetsen die hij naliet –, schrijft Rutger Kopland in het gedicht I cavalli di Leonardo, over de pogingen en oefeningen van Leonardo da Vinci om een paard te tekenen. Reeksen spierbundels tekende hij, gewrichten, die hele machinerie/ van drijfriemen en hefbomen waarmee/ een paard beweegt, de huid van oorschelpen, oogleden, neusvleugels, hij moet hebben willen weten hoe een paard/ wordt gemaakt, en hebben gezien/ dat dat niet kon.

Aan dit gedicht dacht ik terwijl ik, soms hardop lachend, soms instemmend knikkend, soms hersenkrakend het boekje Waar blijft de ziel? las, van Bert Keizer.

Ja, waar blijft de ziel. Wat is de ziel? Is er zoiets als een ziel?

Keizer toont dat we in allerlei situaties wel degelijk zoiets als een ziel veronderstellen, niet alleen bij mensen, maar ook bij dieren – bij alle wezens met een zenuwstelsel die zich in de wereld bewegen, ruwweg. Die ziel noopt ons jegens zulke wezens tot een bepaald gedrag, een ander gedrag dan jegens een fiets of een robot.

Al is dit laatste al weer moeilijker. Iemand vertelde over een demonstratie die werd gegeven met eenvoudige robots. Eentje had behalve wieltjes ook een soort hoofdje, een lamp of zoiets. Toen dat machientje een schop kreeg, om het evenwicht te testen, kreunden bijna alle toeschouwers: „aah!” Zielig! (Let op het woord.)

Dit doen ze niet als je de stofzuiger een schop geeft. Iets hoeft maar een beetje op een levend wezentje te lijken of we dichten het al een ziel toe.

Dat houden we natuurlijk niet vol, als we er even over nadenken.

Menigeen die even heeft nagedacht, de ‘neurosofen’ voorop, heeft de ziel of de geest sowieso naar de vuilnisbak verwezen – niet alleen als het om robots gaat, ook bij mensen en dieren. Wat we ook beweren over onze motieven en keuzes – ‘ons brein’ regelt, beslist, kiest en heeft voorkeuren waarover ons zogenaamde bewustzijn, helemaal niets te zeggen heeft. We hebben geen geest. We zijn een brein.

Onzin, schrijft Keizer. „Neuronen nemen geen besluiten, al vuren ze zo hard dat je ze als het ware door het schedeldak heen kunt horen knetteren daarbinnen!” Keizer spreekt over het lichaam-en-geest-probleem. Dit heeft, zegt hij zelf al, nog niemand in het bestaan van de mensheid tot een bevredigende oplossing weten te brengen. Hij zegt veel verstandigs, maar hij eindigt zijn boek zo: „Wij weten, na al die eeuwen van nadenken over onszelf, nog steeds niet goed te zeggen wie of wat wij zijn.”

Ja dat is waar – gelukkig maar. Alles wat ons nu zo verwart, en wat schitterende pogingen tot een antwoord veroorzaakt, zou achterhaald zijn. Ineens is duidelijk „hoe een paard wordt gemaakt”. Sommige problemen zijn te interessant om op te lossen en te prangend om onopgelost te laten.

Daarom zeggen sommige neurologen „wij zijn ons brein” en andere neurologen why you are not your brain. We willen iets begrijpen wat we niet begrijpen. Iedereen kijkt in zichzelf in een duisternis. Je kunt niet dat wat denkt beschouwen met dat wat denkt.

De ziel is een nog moeilijker kwestie. Keizer haalt gevallen aan van diep demente bejaarden of mensen in vegetatieve toestand, of zelfs in coma. Zit daarbinnen nog ergens een ziel? Om de een of andere reden veronderstellen we de ziel toch ‘ergens daarbinnen’. We weten tegenwoordig zelfs vrij nauwkeurig waar de ziel zou moeten wonen: in de hersenen. Wordt ze daar niet aangetroffen, dan is de triomfantelijke conclusie dat ze er – zie je wel – helemaal niet is.

Een ziel heb je zo nu en dan./ niemand heeft haar ononderbroken/ en voor altijd, dichtte Wislawa Szymborska. Als we inspannende karweitjes verrichten, sjouwen of te kleine schoenen aanhebben is de ziel nergens te bekennen. Bij het invullen van formulieren/ en het hakken van vlees/ heeft ze doorgaans vrij.

De ziel die zij daar bedoelt, is de ziel die we ook zelf voelen – niet de minimumziel die ons doet besluiten dat een wezen gevoelens heeft, geestelijk leven, hoe gering ook, maar de ziel die je beschouwt als, ja, als wat, als het wezenlijkste van jezelf, het diepst gevoelde, de kern. Brr. Zulk praten heeft gauw iets zweverigs, maar als ik denk aan die regel van Vestdijk, uit Mnemosyne in de bergen: Veel lied’ren zijn gezongen. Doch het ene,/ Het ernst’ge, dat de ziel het diepste raakt,/ Ligt nog te wachten, dan weet ik toch wat hij bedoelt met dat de ziel het diepste raakt. Szymborska zegt: Vreugde en verdriet/ zijn voor haar geen verschillende gevoelens./ Alleen als die twee zijn verbonden,/ is ze bij ons.

Waar blijft de ziel? Het is goed dat Bert Keizer haar probeert te redden, al is het maar de minimumziel van „enig geestelijk leven”, maar ook die vage van Vestdijk en Szymborska wil ik behouden, de ziel die maar deelneemt „aan een op de duizend gesprekken”. We moeten haar verdedigen.