Baard, boerka en clichés

Ayad Akhtar: De hemelverdiener. Uit het Engels vertaald door Ko Kooman. Cargo, 384 blz. € 19,90

De hemelverdiener wordt dé hit van 2012. Tenminste dat vermoedt de recensent van Chicago Tribune. Zoals The Help (vertaald als Een keukenmeidenroman, besproken in Boeken 19.02.2010) dé hit was van 2010, zo wordt het debuut van de in de Verenigde Staten geboren Pakistaanse schrijver Ayad Akhtar de knaller van 2012, voorspelt hij. De vergelijking is begrijpelijk. Want zowel inhoudelijk als in uiterlijk vertoon kunnen de boeken de concurrentie eenvoudig aan. Voor beide romans zijn grootse campagnes opgezet en de rechten werden nog voor verschijning aan veel landen verkocht – in het geval van De hemelverdiener aan 21 landen. Beide boeken stonden ook afgelopen week in de CPNB-bestsellerslijst. Tot zover het lawaai eromheen.

Dan de inhoudelijke overeenkomsten: beide boeken zijn niet goed; de plots draaien om de bevestiging van een clichébeeld. Waar Kathryn Stockett met The Help wilde laten zien hoe zwarte vrouwen leefden in de jaren zestig, wil Ayad Akhtar tonen hoe het was om als moslim op te groeien in Amerika aan het eind van de jaren zeventig. Zoals te verwachten valt, was het voor Stocketts zwarte vrouwen in de jaren zestig geen pretje, net zo min als het dat was voor een moslim in de jaren zeventig. De zwarte vrouwen werden onderdrukt door hun blanke madammen, de moslimvrouwen (in dit geval een vriendin van de moeder van een opgroeiende jongen) worden onderdrukt door hun moslimmannen. En voor wie het nog niet wist: moslimmannen zijn baarddragende Jodenhaters die als voornaamste hobby hebben hun vrouw in elkaar te beuken. Zit er een genuanceerde moslim tussen, dan is het meteen een jodenvriend, een afvallige en doet hij aan orale seks.

Tot zover de basisfeiten van De hemelverdiener. Want bij Akhtar gaat het natuurlijk om nog meer. Dit drama draait om de jongen wiens moeders vriendin uit Pakistan is gevlucht na een vreselijk huwelijk waarbij ze werd vernederd en geslagen. In de VS wordt de jongen verliefd op deze mooie vriendin van zijn moeder, Mina geheten. Hij leert via haar de diepere betekenis van de Koran kennen en hij ontdekt per ongeluk hoe een naakte Mina eruit ziet (ze heeft een ‘zwarte driehoek tussen haar benen’). Deze Mina (soms ook afgekort als Mien) wordt verliefd op een joodse man, en dat roept uiteraard problemen op binnen de Pakistaanse gemeenschap en bij de nog in Pakistan wonende ouders van Mina. Het jaloerse jongetje, dat inmiddels zwaargelovig is, verzint een list waardoor de Joodse man verdwijnt, waarna Mina uiteindelijk trouwt met een fundamentalist van wie ze al boerkadragend binnenshuis moet blijven. Voordat ze sterft aan baarmoederkanker, biecht de jongen nog op wat hij heeft gedaan. Vrede is met beiden. En vijftien jaar later ontmoet hij zelfs nog de joodse man, en ook daarmee sluit hij vrede. De jongen, student inmiddels, krijgt verkering met een joods meisje. Eind goed, al goed, jammer alleen van die dode vriendin.

Geeft de roman dan wellicht inzicht in hoe een moslimjongen ten tijde van president Carter opgroeide in de VS? Want dat, zo verklaarde Akhtar in menig interview, was de bedoeling. Het is voor een niet-moslim buiten de VS, die de jaren zeventig daar niet als moslim heeft meegemaakt, lastig te beoordelen. Wel staat vast dat er ook niet-moslimjongens soms in de puberteit verliefd worden op een vriendin des huizes, dat er jongens zijn die vaders hebben die vreemd gaan en aan de drank zijn en dat er jongens zijn die worstelen met religie. Wat dat betreft is dit boek een Dimitri Verhulst meets Jan Siebelink, maar dan twintig jaar later.

Dat de roman goed verkoopt is dus niet te danken aan het verhaal en evenmin aan het diepere inzicht in moslimlevens veertig jaar geleden. Aan de stijl kan het ook onmogelijk liggen, want die is niet bijzonder. Langdradige scènes als „‘Wil je een glaasje water voor me gaan halen?’ ‘Mmm-hmm.’ Ik daalde af naar de keuken, vulde een glas water uit de kraan en bracht het naar haar kamer” houden het tempo niet echt hoog. Het ergste is nog wel de beschrijving van de personages: joden hebben een grote neus, foute moslims zijn pokdalig onder hun bebaarde gezichten en mooie vrouwen hebben amandelvormige ogen. Natuurlijk, welke vorm zouden ze anders kunnen hebben? Walnoten? Misschien wordt het tijd voor een embargo op alle boeken waarin vrouwen ‘amandelvormige ogen’ hebben.

Waarom is dit boek dan wel dé hit is van 2012? Dat heeft vast te maken met de woordenlijst achterin. Die bevestigt dat we hier in de wondere wereld komen van de moslimkitsch, en daar kunnen we anno 2012 nog steeds geen genoeg van krijgen. Zo wordt in die woordenlijst bevestigd dat ‘djellaba’ een lang Arabisch gewaad is, maar weten we nu ook dat ‘ghee’ geklaarde boter is, en dat is toch lang niet mis.