Amerika is niet zo erg verdeeld

Het door lobbyisten en partijtijgers gegijzelde Amerika klaagt steen en been over de staat van de natie. Het land moet zich herbezinnen op wat het groot maakte: onderwijs, immigratie, wetenschap, aldus Thomas Friedman.

Joey Hudy toonde vorige maand president Obama zijn ‘Extreme Marshmallow Cannon’ Kevin Lamarque/ Reuters

Thomas Friedman en Michael Mandelbaum: Wat is er mis met Amerika? Vertaling Henk Moerdijk. Nieuw Amsterdam, 448 blz. €27,95

Robert Kagan: The world America made. Knopf, 140 blz. pag. € 15,80

Als China onverhoopt Taiwan zou aanvallen, is Amerika door een verdrag verplicht de bondgenoot te hulp te schieten. Maar daarbij dient zich een klein probleem aan: voor een dergelijke operatie zou het land eerst geld moeten lenen bij China. Dergelijke wetenswaardigheden, door Thomas Friedman en Michael Mandelbaum opgetekend uit de mond van een lid van de Amerikaanse regeringscommissie voor het financieringstekort, jaagt Amerikanen de stuipen op het lijf. De veronderstelde neergang van het land is al in diverse toonaarden bezongen. Zowel Friedman en Mandelbaum als Robert Kagan voegen twee zeer verschillende stemmen aan het koor toe.

Wat er mis is met Amerika? Die vraag wordt feitelijk in beide boeken gesteld. Eigenlijk niet zo vreselijk veel, betoogt Kagan, die de zogenaamde teloorgang als een ‘mythe’ afdoet. De neoconservatieve maar partijloze historicus is adviseur van de Republikeinse kandidaat Mitt Romney, maar The world America made viel juist in de smaak bij president Obama, die een positieve analyse vanuit die hoek maar al te goed kan gebruiken. In een helder, zij het door een teveel aan sweeping statements ontsierd betoog, laat Kagan zien dat er weinig reden is te veronderstellen dat de ‘door Amerika gecreëerde wereldorde’ binnen afzienbare tijd gevaar zal lopen. En dat is maar goed ook, aldus Kagan. De veronderstelling dat de wereld aan een gestage opmars richting meer parlementaire democratie en economische consensus bezig is, berust namelijk op een misvatting.

Amerika is na het einde van de Tweede Wereldoorlog en zeker sinds de val van de Muur het lichtend voorbeeld voor een groot deel van de wereld in economisch en politiek opzicht. Daar is sindsdien niet zo veel aan veranderd. Het verbazende is juist, volgens de auteur, dat Amerika al die decennia wereldwijd zijn gang kon gaan ter bescherming van zijn belangen, ook wanneer het internationale rechtsorde met voeten trad. Hij noemt menig voorbeeld uit Latijns-Amerika, maar ook de inval in Irak van 2003. Dat laatste is verbazingwekkend: heeft die inval niet juist Amerika’s aanzien in de wereld enorm geschaad? Het is maar hoe je het bekijkt, aldus Kagan: er bleken toch maar 38 landen en landjes bereid te zijn die operatie te steunen (waaronder het Nederland van de paladijnen Balkenende en De Hoop Scheffer). En de angst voor het economische potentieel van China is pas reëel wanneer ‘de Chinezen dit ook vertalen in militair potentieel’, want in dat opzicht is Amerika niet te overtreffen.

Wolk

Kagans boekje biedt talloze aanknopingspunten voor een boeiende discussie. Een daarvan is dat hij weinig oog heeft voor de binnenlandse problemen van het land. En juist daarom draait het bij Thomas Friedman. Zijn boek is een vervolg op De aarde is plat (2005). De wereld is in de afgelopen zes jaar volgens Friedman nog ‘platter’ is geworden. Toen dat boek uitkwam ‘zat Facebook er niet eens in. De iPhone of iPad bestond nog niet... zes jaar geleden was een tweet nog een vogelgeluid, was een cloud nog gewoon een wolk...’

Friedman kreeg dit keer medewerking van buitenland-expert Michael Mandelbaum. Het is een toegankelijk (zij het hier daar iets te ronkend) geschreven boek dat de juiste diagnoses stelt maar in het aandragen van oplossingen niet altijd even realistisch, en soms zelfs wat naïef overkomt.

Voor de regelmatige lezers van Friedmans columns in The New York Times zal de diagnose weinig nieuws bevatten. Opnieuw signaleert hij vier kernproblemen van de VS: de globalisering en de revolutie in de informatietechnologie; het almaar stijgende begrotingstekort (gevolg van te lage belastingen en te hoge leningen) en het absurd hoge energieverbruik. Daarboven hangt een politiek probleem dat maar niet wil verdwijnen: de verlamming van het Amerikaanse politieke systeem Bi-partisanship is een term uit een ver verleden geworden. Politici dansen naar de pijpen van lobbyisten en hebben als hoogste punt op de agenda staan: het dwarszitten van de andere partij.

Amerika is volgens de auteurs wel degelijk achterop aan het raken in de multi-polaire wereld en kan daar pas wat aan veranderen als het zich herbezint op de vijf pijlers die het land zijn welvaart en lange tijd zo vooraanstaande positie hebben bezorgd. Dat betekent een nieuwe blik op het onderwijs (en dan met name technologie), modernisering van de infrastructuur, een blijvend openstaande deur voor zowel hoog opgeleide als ongeschoolde immigranten, overheidssteun voor fundamenteel onderzoek en ontwikkeling en tenslotte ‘implementatie van noodzakelijke regelgeving inzake particuliere economische activiteiten’.

De verbetering van het onderwijs neemt een groot deel van het boek in beslag, want Amerikaanse kinderen, zo laten de tabellen zien, presteren middelmatig tot slecht. En dat in een tijd waarin Amerika juist ‘van matige leerlingen gemiddelde leerlingen moet maken en van gemiddelde voortreffelijke.’

Dom werk bestaat niet meer, en innovatie zal evenzeer vanaf de werkvloer moeten komen als vanaf de tekentafel. Een uitstekende leerkracht draagt tonnen meer bij aan de economie dan een slechte. Maar helaas voor de auteurs: dom werk bestaat nog wel en zal altijd blijven bestaan. Ook als het onderwijsniveau omhoog gekrikt wordt, zal er een kloof tussen goed en slecht opgeleiden bestaan en het is maar zeer de vraag of die er niet juist groter door zal worden.

Fooi

De naïveteit van de auteurs wordt het best geïllustreerd door een van de voorbeelden in Wat is er mis met Amerika? Een serveerster gaf Friedman wat extra fruit bij zijn ontbijt, en zei dat er ook vriendelijk bij. Ze kreeg een fooi van 50%. Friedman schrijft: ‘Eigenlijk zouden we allemaal als die serveerster moeten denken en de vraag moeten stellen: hoe kan ik me in mijn werk onderscheiden?’ Maar wat te denken van het toch niet zo absurd gefantaseerde vervolgscenario: wat als haar collega’s er lucht van krijgen dat er extreme fooien te verdienen zijn op die manier? Dan ontdekt de bedrijfsleider eind van de week dat er te veel fruit is geserveerd bij de ontbijtjes en dat de prijs omhoog moet, waardoor de concurrentiepositie van het restaurant in de knel komt. Als het vriendelijke meisje al niet allang de laan is uitgestuurd.

Bij het aandragen van de oplossingen zijn Friedman en Mandelbaum ook al niet telkens even realistisch. Een middel om uit het ‘muurvaste politieke bestel’ te komen zou zijn: het creëren van een derde partij in ‘het radicale midden’. Met radicaal bedoelen ze niet extreem-rechts of links maar de intentie om buiten het lamgelegde stelsel om te werken. Zo’n partij zal er niet in slagen de president te leveren, maar door zijn aanwezigheid de beide traditionele partijen dwingen hun agenda’s bij te stellen, zoals George Wallace deed in 1968 en Ross Perot in 1992.

Ook dat klinkt mooi, vooral als de presidentskandidaat van die partij Friedman zou heten en zijn running-mate Mandelbaum. Met een dergelijke ticket zou het debat om de presidentskandidatuur op een hoger dan partijdig niveau gevoerd kunnen. Maar een derde partij is in het huidige bestel praktisch kansloos. En zo zijn er nog meer voorbeelden waar het optimisme met de auteurs aan de haal gaat en de voorgestelde verbeteringen strijdig lijken met elkaar. Een versoepeling van de regels voor het vestigen van nieuwe industrie zal bijvoorbeeld dikwijls botsen met wetgeving inzake milieu en arbeidsveiligheid.

Friedman en Mandelbaum constateren terecht dat het inktzwarte beeld van een extreem gepolariseerd land te duister is: het Amerikaanse volk is minder verdeeld dan de tv-kabelnetten en radio-talkshows laten zien en horen. Met de therapie die de auteurs het land met dit boek voorschrijven doen ze een beroep op de landelijke onderschrijving van de ‘formule’ die Amerika heeft grootgemaakt. Maar iets meer zicht op de realiteit zou hun pleidooi goed hebben gedaan.