Als routines nog het enige houvast zijn

Geboren zijn is ongemak, schreef filosoof E.M. Cioran. In de nieuwe verhalen van Sanneke van Hassel vallen daar zeker ook de intieme relatie en het ouderschap onder.

Sanneke van Hassel: Ezels. De Bezige Bij, 128 blz. € 18,90

‘Heer, had het hierbij maar gelaten.’ De dichtregel van Vasalis (volgend op ‘De zomerwei des ochtends vroeg/ En op een zuchtje dat hem droeg/ vliegt een geel vlindertje voorbij’) is onopvallend wanneer je hem als motto leest aan het begin van het nieuwe boek van Sanneke van Hassel. Maar diezelfde regel van Vasalis staat er ineens heel treurig bij als je na lezing van de vijftien verhalen even teruggrijpt naar het begin.

Wat is er in de tussentijd gebeurd? Ezels, de derde verhalenbundel van Van Hassel, die ook één roman schreef, is een strak geordende thematische bundel, waarvan het thema het beeldendst wordt samengevat in het begin van het openingsverhaal: ‘Als ik een slokje warme chocolademelk neem, zie ik dat er op mijn mouw een spuugvlek zit.’

Het verhaal heet ‘Motherhood’ en de portee is, als altijd bij Van Hassel, eenvoudig: Anne Wikje, een schrijfster en jonge moeder is voor het eerst na vier maanden weer alleen van huis. Terwijl ze op de trein staat te wachten wordt ze aangesproken door een man. Hij nodigt haar bij hem uit en vertrouwt haar toe: ‘’t is vandaag de dag niet meer zo dat het meteen over seks hoeft te gaan’. Desalniettemin druipt hij dadelijk af wanneer ze melding maakt van haar jonge moederschap.

Mooi, denk je in eerste instantie: die vervelende kerel is verdwenen. Maar als je de hele bundel hebt gelezen dan bekijk je dit (overigens op zichzelf niet zo erg sterke) verhaal volkomen anders. Dan is niet meer de aanvankelijke bedreiging van de versierder de crux, maar zijn uiteindelijke desinteresse.

Vrijwel alle verhalen in Ezels gaan over ouders en de meeste gaan over jonge moeders die niet precies meer weten wat ze aanmoeten met de buitenwereld nu ze met een al dan niet overdrachtelijke melkvlek op hun mouw lopen.

Van Hassels combinatie van conceptuele eenheid en realisme maakt dat de bundel soms vermoeit. Met de parade namen die langskomt (Boet, Heintje, Nora, Maas, Fee, Jaky, Mimoun, Dylan, Ravi, Mijntje, Vera, Amber, Jade, Jonathan en Bram) kun je een crèchegroep vullen. Voeg daarbij een passage als ‘De crèche was aan de andere kant van de stad, het groentepakket moest opgehaald, de luierdoekjes waren op’ en je weet niet precies meer wat je hindert: plaatsvervangend ouderlijk ongemak of de voorspelbaarheid van het verhaal. Men stoot zich in Ezels erg vaak aan dezelfde steen.

Koophuis

Dat laatste geldt zeker voor de variaties op wat we maar het verlangen naar de indiaan zullen noemen, naar ‘Indian Time’, een van de beste verhalen, waarin de hoofdpersoon zich laat verleiden door een indiaan uit Emmen. Hoe om te gaan met de verleidelijke voorbijganger of de wilde vriend van vroeger – nu je zelf met Joost of Hugo in een koophuis zit?

De zich geleidelijk ontvouwende moraal van de bundel is die van Motherhood (om de uitdrukking uit het titelverhaal maar even aan te houden) als gevangenis. Een van diverse gemakken voorziene gevangenis, maar toch. Onwillekeurig moet je denken aan het moment waarop Emma in Madame Bovary voor het eerst met haar Charles hun nieuwe woning betreedt: ‘In de vestibule al voelde Emma de kilte van de gepleisterde wanden als een nat laken op haar schouders vallen’. Nu zijn de karakters van Van Hassel stellig volwassener dan Emma, maar ook deze vrouwen belanden in de situatie waarin hun man, niet ten onrechte, aan de ontbijttafel zegt: ‘Routines zijn ons enige houvast’.

De beste verhalen in de bundel zijn die waarin de personages zich niet alleen opgesloten voelen, maar in daders veranderen. Dat gebeurt in ‘Muis’, waar het hoofd van een kinderdagverblijf steeds meer weerzin voelt tegen niet alleen de kinderen en hun ouders, maar ook tegen haar minder intelligente collega’s: ‘Zalig zijn de armen van geest, zei mijn goede vader altijd. Hij kon niet weten dat ze ooit met zovelen zouden zijn.’

Het gif dat uit die zin spreekt, materialiseert zich even later. Wanneer de ongehoorzame driejarige dochter van de vreselijkste moeder van allemaal, wegloopt, ziet de hoofdpersoon de kleine Fee naar de kast van de schoonmakers gaan. ‘Fee trekt de de deur open en stapt de kast in. In een paar passen ben ik bij haar. Ik duw de deur dicht en draai de sleutel om.’ De daad blijft onbestraft.

Dat laatste is niet onbelangrijk, want straf is wat de karakters van Van Hassel steeds boven het hoofd hangt: straf voor niet handelen, straf voor niet opletten – vaak in de vorm van een ongeluk dat een kind overkomt of begaat.

Aan de liefde voor al die kinderen, aan het genot van het ouderschap, besteedt Van Hassel alleen indirect aandacht, door in te zoomen op het ongeluk van degenen die er niet bijhoren. Heel pijnlijk komt dat naar voren in het titelverhaal waarin een kinderloos paar (‘Ook al was hij de veertig al ruim gepasseerd, toch liet hij nog graag de auto slippen’) op een ezelboerderij een jong katje aantreft. Zij wil het mee naar huis nemen, hij doet moeilijk (‘Ze kunnen allerlei ziektes hebben. Infecties, wormen’) en geilt intussen op het ordinaire meisje dat de koffie komt brengen.

Katje

Genoeg voor een akelige huwelijksscène, maar Van Hassel maakt het nog wat erger. Aan het slot van het verhaal staat de man op het punt toe te geven en zijn vriendin het katje mee te laten nemen, maar dan wil zij niet meer. ‘Zodra hij iets groter is, trekt hij zich niets meer van me aan.’

‘Leveranciers van valse hoop’ worden kinderen in een van de andere verhalen genoemd, door een vrouw die de jaren van de spuugvlekken (en van de hoop) al is ontgroeid. En zo trekt Sanneke van Hassel het net dicht: uiteindelijk is het even zinloos om je met je lot te verzoenen als om ertegen in opstand te komen.

Ezels is geen bundel waarvan alle verhalen even goed zijn, wel een bundel waarin het geheel meer is dan de som der delen. Wanneer Anne Wikje in het openingsverhaal de opdringerige man moet zeggen wat ze schrijft (‘illusion, liefde, spannend of hatred?’) kan ze niet zeggen wat het is. Ze komt tot ‘Van alles. Het zijn totaal verschillende verhalen’ en bepeinst: ‘Nog steeds heb ik hem niet paraat, die ene zin die precies omvat wat ik schrijf, die intelligent is en wat te raden overlaat.’

De schepper van Anne Wikje heeft de zin die haar bundel (vol illusie, liefde, spanning en haat, dat ook) samenvat overigens wel gevonden. Want bij alle menselijke onmacht die ze beschrijft, kom je onherroepelijk terug bij Vasalis: Heer, had het hierbij maar gelaten.