Wat moest ik hier?

Actrice Tosca Niterink en fotografe Anita Janssen liepen de langste pelgrimsroute van Spanje. Ze deden daarvan al kort verslag in deze krant. Morgen verschijnt de uitgebreide versie als boek. In dit CS een voorpublicatie.

Ik zit in Granada op een terrasje in mijn dagboek te schrijven. Ik heb een kwartiertje naar de eerste lege bladzijde zitten kijken en moest aan Annie M.G. Schmidt denken. Als zij aan een musical begon en voor dat lege vel zat, trok ze in het midden een streep en schreef er het woord pauze onder.

Ik sloeg mijn schrift in het midden bij de twee rijgsteken open en schreef bovenaan de rechter bladzijde: we zijn op de helft, nog maar 600 kilometer te gaan.

Er lopen twee zonnebrilnegers langs mijn tafel. Behalve zonnebrillen verkopen ze ook illegale cd’s. Wat zijn ze zwart, haast blauw! Wat glimmen ze! En wat een vrolijke snuiten! Heb vanmorgen al een zonnebril bij een andere zonnebrilneger gekocht. Uit Senegal komen ze, de zonnebrilnegers en ze willen niet op de foto. Ze zijn bang dat je een stukje van hun ziel meeneemt. Als je het toch doet, zoals Annie vanmorgen, worden ze levensgevaarlijk boos. Ik vond de zonnebrilneger er zo mooi uitzien, vanmorgen! Hij zat op zijn hurken te glimmen in de zon, samen met de zonnebrillen. „Neem een foto!” riep ik tegen Annie.

„Nee, dat willen ze toch niet!”

„Doe het gewoon”, pushte ik haar, „kan-ie ook geen nee meer zeggen.”

Arme Annie nam een foto, duidelijk tegen haar zin. Had ze maar niet naar mij geluisterd. Hij vloog op als een panter vanachter zijn nep-Raybans. En hij was ineens levensgevaarlijk groot! Hij boog zijn kwaaie kop helemaal vlak voor Annies gezicht. Het was eventjes alsof hij met zijn enorme witte tanden haar fototoestel doormidden wilde bijten. Trillend van woede riep hij alsmaar dat ze de foto moest wissen. Annie heeft net een nieuw fototoestel en weet nog niet zo goed hoe het werkt. Dus het lukte niet meteen en ze stond te trillen en hij ging steeds harder schreeuwen en zweten ook, plus trillen erbij, het was bijna erotisch.

Had ik maar een fototoestel, dacht ik met spijt.

Er kwamen allemaal mensen omheen staan die vroegen: „Wat heeft-ie gedaan, krijg je je geld niet terug?” Ik snap best dat het leven moeilijk en oneerlijk is voor een zonnebrilneger. We hebben moeten praten als Brugman in het Frans en een zonnebril gekocht en twee cd’s, eentje met panfluitmelodieën en eentje met 25 jaar hoogtepunten van Julio Iglesias.

Wat is Spanje toch leuk! Ik voel me helemaal blij worden als ik eraan denk dat we hier tweeënhalve maand blijven! Dan wil ik voor straf best elke dag twintig kilometer lopen.

[...]

Salamanca

In dit deel van Spanje regent het zomers nooit, behalve toen wij er toevallig doorheen liepen. Boven de verschroeide Spaanse toendra met de gortdroge rode aarde barstte een wolkbreuk los. De onverharde weg die wij volgden, veranderde al snel in een modderpoel. Ik heb nooit geweten dat de hemel zoveel water kon bevatten. Het bleef maar met bakken omlaag vallen. De hele godganse ochtend vonden wij geen schuurtje, geen huis, zelfs geen boom om onder te schuilen op deze zich eindeloos uitstrekkende laagvlakte. Als je maar lang genoeg door de stortregen loopt, krijg je zelfs in de beste Goretex-schoenen natte voeten. Het water stroomde na verloop van tijd gewoon via de broekspijpen onze schoenen in. Mijn handen waren zo verkleumd dat ik nauwelijks mijn stok vast kon houden.

„Waarom wilde ik dit?” Andere mensen zaten thuis bij de kachel of in de auto. Wat was er lekker aan om zeiknat met een zware tas door de modder te schuiven. Ik kon geen enkele reden bedenken. Ja, dat sentimentele gedoe in de ochtend van vogeltjes bij het krieken! Belachelijk! Ik kon thuis toch ook voor dag en dauw in het park naar de vogels gaan luisteren. En daarna lekker naar huis een bakje koffie drinken. Wat moest ik hier? Ik leek wel gek! Nu ja, niet afhaken op dit soort momenten. Alles gaat voorbij, sprak ik mezelf toe. Ook deze dag!

Op een gegeven moment voerde het pad, inmiddels veranderd in een woeste modderstroom, ons toch nog langs een verlaten, piepklein schuurtje, stalletjeachtig bouwvalletje. Annie vond daar een prachtig stuk ondefinieerbaar dierenbot om haar staf mee te versieren. Ze deed een onhandige poging met een haarelastiekje. „Annie, dat gaat zo niet!”

„Doe jij maar”, zei ze, „jij kan dat soort dingen zo goed.”

„Later, als ik weer gevoel heb in mijn handen.”

In het schuurtje konden we niet rechtop staan en het lekte aan alle kanten, maar het was er niet zo nat als buiten. Het stonk er verschrikkelijk en dat was niet zo gek want de grond lag bezaaid met wit uitgeslagen hondendrollen. De ketting lag er nog waar die arme hond jaren aan vast had gezeten.

Als Spanjaarden in de middle of nowhere een stapel brandhout hebben of een tuintje met een paar kroppen sla, laten ze dat al snel bewaken door een kettinghond. „Annie, ik wil hier niet blijven!” riep ik geschrokken. „Het is hier droger dan buiten!” zei Annie. „Laten we heel even schuilen.”

Annie was met haar verkleumde vingers beenkappen aan het maken van een gele Amsterdam airport shopping tas. „Wil jij ook?” vroeg ze.

„Ach.” Ik keek naar mijn gevoelloze handen, die ik nauwelijks meer kon bewegen, laat staan knutselen en die eruitzagen alsof ik uren in het bad had gezeten: „Laat maar.”

„Doe je rugzak toch af!” probeerde Annie.

„Nee, ik ga ’m niet in de hondenpoep neerzetten.”

„Hondenpoep?”

„Ja, wat dacht jij dan? We staan in een hondenhok.”

„Ah gedsie, ik dacht dat dit een kippenhok was.”

„Kijk dan maar eens goed!”

Enfin, we stonden zo weer buiten. Annie houdt niet zo van honden.

„Ik voel me net alsof ik zo de gracht uitgevist ben”, zei Annie toen we een gehucht binnenklotsten.

Er was niets, geen winkel, geen kroeg, wel een pelgrimsherbergje.

De deur was gewoon open en er was niemand. „Ola”, riepen we. „Ola!”

Geen antwoord. Klappertandend deden we onze natte spullen uit. Er was een open haard, geen aanmaakhout. Ik vond in de paraplubak een bosje vergeten pelgrimsstokken. Ik trapte ze een voor een tegen de muur in stukken. Annie stond in haar onderbroek een houten stoel kapot te slaan tegen de vloer. „Eentje zullen ze niet missen”, vond ze, „ze kunnen ook op een omgekeerd bierkrat zitten.”

We vonden onszelf geweldige padvinders want binnen no time brandde de haard.

„Als een tierelier”, zei Annie. We hingen onze sokken en broeken bij het vuur te drogen. En propten Spaanse Donald Ducks in onze schoenen. Ik prikte onze poncho’s met punaises vast aan de piepschuim platen van het systeemplafond. Ze dansten als spoken heen en weer in de hete lucht. Gezellig, zo met zijn vieren! Er ging nog een stoel de kachel in en de paraplubak zelf. We twijfelden even, maar na een Jimi Hendrix-imitatie moest ook de kapotte gitaar eraan geloven en verdween in de vlammen.

Buiten was het opgehouden met regenen en er brak een voorzichtig zonnetje door. We schreven een bedankbriefje en legden geld neer voor de geleden schade. Daarna trokken we onze, inmiddels weer droge kleren aan en wandelden naar Salamanca.

Salamanca heeft een indrukwekkende Plaza Mayor. Het leek hier verdomd Meggico (Mexico) wel. Ik ben er inmiddels aan gewend, want het gebeurt zo vaak, als mensen erachter komen dat ik ‘die en die’ ben, ‘met die tandjes van tv’, dat ze ineens heel anders tegen me gaan doen. Maar hier had iemand een volledige karakter make-over ondergaan! Terwijl we op het overbelichte plein liepen, werd ik ineens omhelsd door iemand. Ik herkende haar niet, ik had haar gezicht nog nooit van zo dichtbij gezien en ik had haar nimmer zien lachen. Het was wel iets vertrouwds. Het sprak Nederlands en riep mijn naam en dingen als wat leuk! Van de weeromstuit begon ik bijna met haar te tongzoenen maar net op tijd herkende ik haar! Handstand! [een vrouwelijke pelgrim die ik eerder was tegengekomen…] Ik trok als een hagedis mijn tong weer naar binnen.

‘Klimmen naar kruishoogte’ van Tosca Niterink en Anita Janssen verschijnt vandaag bij Thomas Rap. 240 pagina’s, prijs € 14,90