Waar journalisten voor zijn

Onbelemmerde journalistieke nieuwsgaring met bronbescherming is een belangrijke voorwaarde voor het verwezenlijken van de vrijheid van meningsuiting. Dit schrijft de Nationale Ombudsman, Alex Brenninkmeijer, en helaas niet ten overvloede.

De Ombudsman adviseert vandaag de minister van Justitie een journaliste van het dagblad De Telegraaf te bevrijden van een onterechte vlek op haar blazoen. Die is daar achtergelaten door het Openbaar Ministerie. Op basis van onrechtmatig verkregen bewijs, zo werd achteraf vastgesteld, doorzocht die in 2009 haar woning en nam computers en documenten in beslag. Zij zou staatsgeheime informatie hebben gepubliceerd. Gedwongen door de rechter staakte het Openbaar Ministerie de vervolging van de journaliste. Maar van harte ging dat niet.

Weliswaar werd haar zaak geseponeerd, maar op zo’n manier dat er toch een ‘aantekening’ op haar strafblad zou komen. Dat is dus toch een sanctie, eenzijdig uitgedeeld door het Openbaar Ministerie. De verdenking tegen haar is blijven bestaan, in ieder geval bij het OM. Die verdenking kan dus in de toekomst herleven. Dat strafblad kan voor betrokkene ook maatschappelijke gevolgen hebben. Daarmee heeft het OM dus een journalist onder permanente druk geplaatst. En een signaal gegeven naar andere journalisten, aan wie ook geheime informatie gelekt kan worden.

De vervolgingsbeslissing was des te kwalijker omdat de journalist publiceerde over onregelmatigheden binnen de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Volgens de Ombudsman is het Openbaar Ministerie vrijwel blind op informatie van diezelfde AIVD afgegaan. Het parket toonde zich hier dus onafhankelijk noch kritisch, wat van dit deel van de magistratuur wel geëist mag worden. Erger, het Openbaar Ministerie stelde zich op als de uitvoerende arm van de inlichtingendienst. Zonder zich daarbij voldoende af te vragen welke positie een journalist heeft.

Niet minder pijnlijk is dat de Ombudsman concludeert dat op „geen enkele manier aannemelijk” was dat haar artikelen de veiligheid van de Staat zouden bedreigen. Kortom, een heksenjacht zonder redelijke aanleiding met ondeugdelijke middelen op een journaliste wier uitingsvrijheid juist béter beschermd had moeten worden.

Het is nu meer dan gewenst dat de procureur-generaal het advies van de Ombudsman om de journaliste te rehabiliteren zonder omhaal opvolgt. En weer kan de vraag gesteld worden waarom bijvoorbeeld journalistieke bronbescherming in Nederland nog niet wettelijk is geregeld. Kennelijk is er zelfs binnen het Openbaar Ministerie nog steeds onduidelijkheid over de vraag waar journalisten eigenlijk voor zijn.