Voor de gek

Morgen is het 1 april. Ik verwacht eerlijk gezegd niet echt meer dat ik voor de gek word gehouden. Dat was toch meer iets van vroeger. In een minder mooie episode van mijn jeugd heb ik een jongetje uit de klas op 1 april steeds opnieuw voor de gek gehouden, door te zeggen dat hij

Morgen is het 1 april. Ik verwacht eerlijk gezegd niet echt meer dat ik voor de gek word gehouden. Dat was toch meer iets van vroeger. In een minder mooie episode van mijn jeugd heb ik een jongetje uit de klas op 1 april steeds opnieuw voor de gek gehouden, door te zeggen dat hij onder het bloed zat. Hij begreep, ook na vier keer op een dag, niet dat het niet waar was wat ik zei. En ik begreep, ook na vier keer op een dag, niet dat je sommige mensen gewoon moet sparen.

Bij alles wat raar was, riep ik preventief: „Ja, haha, Bananasplit!”

Kinderen houden ervan om anderen voor de gek te houden. Als een kind ontdekt dat hij dat kan (dan is hij zes of zeven), gaat hij uitproberen hoe ver hij kan gaan. Omdat het ontstellend kan zijn hoe veel mensen eigenlijk voor waar aannemen, verzeilen veel kinderen gedurende enige tijd in de ‘grapje!’-fase. Na elk geintje volgt, geruststellend: „Grapje!” Nog voor iemand zich zorgen maakte.

Na de ontdekking dat je anderen voor de gek kunt houden, komt de angst om ‘erin te trappen’. Ik herinner mij een tijd dat ik bij alles wat ook maar enigszins raar of eng was, alvast preventief riep: „Ja, haha, Bananasplit!” Voor het geval dat Ralph Inbar ervoor gezorgd had dat het licht in de kelder het niet meer deed.

Inmiddels heb ik me erbij neergelegd dat ik bijzonder goedgelovig ben. Je kunt mij alles aan mijn (niet onaanzienlijke) neus hangen.

Wie weet worden er dus al jaren allerlei 1-aprilgrappen op mij botgevierd, zonder dat ik het weet.

Een tijdje geleden werd er bij mij aangebeld door de overbuurman, die ik nog niet kende. Hij had de deur achter zich dichtgetrokken en zijn portemonnee lag nog binnen. En nu moest hij, o vervelende samenloop van omstandigheden, met de trein. Het kaartje kostte als hij zich niet vergiste elf euro zeventig. Hij zou het vanavond komen terugbrengen.

En ja hoor, ik gaf hem vijftien euro. Hij zei een paar keer: „Wat lief buuvie. Dank je wel buuvie.” Ik vond dat ‘buuvie’ raar. Beetje te amicaal. „Ik ben je buuvie niet”, dacht ik.

De buurman vertrok met het geld. Pas tien minuten later realiseerde ik me: ik ben je buuvie echt niet. Ik ben opgelicht.